XV.
POËZIE EN GELD.
Maar 'k jaag niet op een droompaard naar chimère, Voor k weet, hoe t met de wasch, de huur zal
gaan,
Wanneer ik uit de zaken in misère —
Met mijn familie kwaad — me er door moet slaan. Wanneer ik denk aan mir en phalanstère,
Dan ziet een Hermeskop mij honend aan,
Want k mis de moed, de révolutionnaire,
Die mij doet leve’ of sterven voor een vaan. Dan voel k me als de Ridder de la Mancha En ’k hecht aan ’t leven in den ouden sleur, Toch veel te goed dan dat ik t vlieden zal. — (En weenend keert Piet Lut als Sancho Pancha Uit droomemrijk verjaagde gouverneur Als dichtros naar zijn ezeltje’ in de stal.)
lil