uitgeleefd Portugezendom, geïnspireerd door een te bombastisch verleden en hijgend naar een te onwerkelijke toekomst. Hier, in De Beweging was een Jood aan het woord, wiens poëzie zich stralend voegde in de gedichten van zijn Eeuwig Volk. Was ook hij niet ‘Leivie’ als Salomo Alkabitz ‘de Leviet’. Hij liet zich door de conservator der Rosenthaliana, J.M. Hillesum, voorlichten over dat, wat in hem leefde, maar wat hij nog niet kon plaatsen. Zijn dichtader was één fase vóór op zijn bewustzijn. Hij kon zichzelf niet bij houden. Maar hij juichte bij het herlezen van de regels, die hem woordelijk werden voorgezegd, die hij zelf dan misschien nog niet helemaal begreep maar waarvan Joodse kenners en fijnproevers zonder aarzeling vaststelden, dat het grote, zuivere, Joodse dichtkunst was. En sidderend zendt hij overdrukken aan ‘den Heer J.M. Hillesum - van den Dichter Bij een literair-historische analyse van zijn vroege en beste Joodse Liederen (hij sprak in dit verband nooit meer van Verzen) mag niet worden uitgegaan van de eerste grote bundel, die in 1915 verscheen, en nu wél bij Versluys! Wij dienen ons voorlopig te bepalen tot de gedichten, die in 1910 en 1911 verschenen in De Beweging en in De Gids. Dat zijn er niet zo veel. Albert Verwey legde de remmen aan, omdat hij het unieke en waardevolle van deze poëzie volledig doorzag. De hergroepering in de Eerste Bundel kan tot veel beschouwingen aanleiding geven.
Deze eerste gedichten concentreerden zich grotendeels om het Joodse Jaar, ‘Rondom het jaar’, zoals de dichter het noemt. Het Nieuwejaar, Groote Verzoendag, Loofhuttenfeest I en II, Vreugde der Wet, Inwijdingsfeest, Het Lotenfeest, Paschen, Het Wekenfeest, Zeventien Tammoez, Negen Ab. De kringloop was voltooid. Bij de maand Tisjrie, de maand der Feesten begonnen, had hij alle dagen in kleuren geschilderd. Vreemd en hier en daar on-Joods klonken sommige formuleringen. Als de kwatrijnen over Het Nieuwejaar beginnen, voegt de dichter toe: ‘Op Nieuwejaar wordt in onze kerken de bazuin geblazen met klanken, die heeten Te-roe-ngoo; Te-kie-ngoo; Che-wo-riem, Te-kie-ngoo-Ge-dau-loo. Wanneer ons volk bevrijd zal zijn wordt in den Hemel de Groote Bazuin geblazen.’
Hij spreekt van Paschen, en niet van Pesach, waaruit een accent-verschuiving spreekt, die hinderlijk aandoet binnen de sfeer van een Joods gedicht. Hij maakt een blunder van formaat als hij op Vreugde der Wet ter synagoge nog de symbolen ziet van:
... palmentak rankgeloofd Met myrtentakken, wilgentak en ceder.
Maar wat deerde het? Hij kon zich nu eenmaal zo vlug niet wederom in-
98