werken in dat ingewikkeld raderwerk der Joodse traditie. Hij las de verweerde bladzijden van het Machzor van G.I. Polak en M.L. van Ameringen, die beiden hadden zorg gedragen voor de erbarmelijke vertaling van de ‘Gebeden der Nederlandsche Israëlieten’. De Joodse volksmond spotte ermee, zeggende, dat Polak alleen Hebreeuws kende en Van Ameringen uitsluitend Nederlands. Maar de dichter greep gretig naar de stempelbandjes met hun primitieve versieringen en hij las de middeleeuwse poëzie van de synagogale dichters, de Pajtaniem, afgeleid dit laatste woord van het Griekse poiètès. Als hen voelde hij zich, die intuïtief wist, dat hij een liturgisch dichter mocht zijn van het Joodse Volk. Hoe uitzonderlijk, dat in dit uiterste Westen een man was opgestaan, die dit vermocht. De diepere substantie van de Joodse cultuur kon dus nog poëtisch scheppend werken honderden, duizenden jaren na het begin der ballingschap - en zulks tussen Zeve-naar en Zaandam.
Op indrukwekkende wijze bleek dit uit het eerste Sabbathlied, een van zijn sterkste gedichten, dat in de november-aflevering van de zesde jaargang van De Beweging verscheen. Hij droomde ervan, dat dit lied eens zou worden gezongen op vrijdagavond in de Joodse gezinnen mét de Zemiroth van de dichters der ballingschap, als Israël Nagara. Waarom ook niet? Nooit is in de Nederlandse taal zó teer en zuiver de sfeer van de zevende dag getroffen als in deze kwatrijnen, zeventien in getal. Zeventien, een mystiek geheel. Uit het Gebedenboek met Nederlandsche Vertaling en Verklaring door L. Wagenaar, dat in 1901 te Amsterdam was verschenen, haalde hij de vertaling van Lecha Dodie, ‘Het lied der Sabbath-intrede’, dat werd gedicht door Salomo Alka-bitz, Leviet als hij. De parafrase hiervan imponeert door de ingehouden spanning.
Heerlijkst van al is ’t heuglijk Sabbathlied,
Geen Hollandsch lied is zóó wonder van wijs Noch één van David Jonathan tot prijs Schoon als dit van Alkabitz den Leviet.
Ik weet geen gedicht zóó rijk van verlangen:
‘Die ons plundren wilden de grove horden Zullen geslagen en geplunderd worden Spot voor volkren en buit voor vogels hangen.
Een blos bloeit over uw tedere wangen
Mijn Volk, mijn Vriend, geen die van schaamte brandt,
99