Hoe komt hier dan weer als overal als een andere aap uit weer een andere mouw, onder al deze schijnbaar wetenschappelijke en onpartijdige bekommeringen, de Kastedrift, de altijd werkzame, nimmer beledene Levensdrift voor den dag!
Jacob Israël had ‘oren’(bidden) geleerd en kende wat conventionele vertalingen van gebeden, die het simpele gebedenboek vulden, de ‘zevenstuiverste-fille’ van Joachimsthal op de Jodenbreestraat te Amsterdam, in het groene karton en met de aanwijzingen in dat vreemde Nederlands, dat alleen maar Joden verstonden: ‘Ingang van de Sabbath’, ‘Uitgang van de Sabbath’. Op alle kamertjes, waar hij had gewoond, had dat boekje een plaats gevonden; zelfs in de Pijp, ook in de dagen van Pijpelijntjes. Hij kende - als iedere medienejongen - de bladzijden uit zijn hoofd: pagina 33 slotgebed, 136 ben-schen.
Wat fragmenten uit de Tora herinnerde hij zich vaag; zoals de offerande van Isaac. Het Joodse Jaar was er vanzelf ingegaan met de regelmaat van een klok.
Tenslotte waren er die talloze symbolen geweest, die hij na jaren nog aanvoelde. Van zijn prilste jeugd afhad hij het kleine bidkleed, het Arba’ Kan-fot, gedragen, door zijn moeder gebreid, met de 4 kleine zakjes voor de Tsitsit (schouwdraden). Dan het grote Tallith, dat hij op zijn Bar Mitswa had gekregen met de gebedsriemen, de Tejillin, die hij zich nog herinnerde uit donkere winterochtenden, koud op zijn warme linkerarm gebonden, zeven maal, en dan één maal om zijn hoofd. Hoe lang was dat alles geleden? Reminiscenties kropen bijna tastbaar langs zijn huid omhoog. Zinnelijk waarneembaar greep zijn afgelegde ik hem vast, om hem niet meer los te laten. Een mythische werkelijkheid manifesteerde zich in hem. Hij, Janga-kauf Jisroijl de Leviet, was Joods dichter als eenmaal Alkabitz en Nagara.
Wat hij wist of niet wist, was secundair bij deze Am Ha’arets, die alle Keto-wem kende. Demonische stemmen hadden altijd in hem gefluisterd. Hij had soms niet willen luisteren. Nu kon hij hun indringend geluid niet meer weerstaan. Duidelijk hoorde hij ze en daaronder ook die ene:
Door de nacht hoor ik uw stem Stad van mijn land Jeruzalem.
Van dit moment af zong hij als nooit een Jood in deze landen had vermocht, geen gazzen en geen poëet. Vergeleken met zijn Liederen schijnen de Sefardische jeugdzangen van Isaac da Costa cerebrale produkten van een
97