hij eenmaal zijn Joodse gedichten las voor de mizrachistische jongeren van het Amsterdamse Our Chodosj, hield hij plotseling op bij het voorlezen van zijn eerste Sabbath-lied. Even werd het pijnlijk stil, toen scheen het alsof de dichter over de ontdane jongens en meisjes heen een afschuwelijke leegte binnentrad. Met een zangerige stem, die naar het scheen uit een tijdeloze verte tevoorschijn brak, vertelde hij, hoe hij eens in zijn doodongelukkige tijd in het stille Vondelpark rondliep. Plotseling hoorde hij een stem, die duidelijk sprak in de Nederlands-Asjkenazische uitspraak: ‘Sjoewo eilaj kie ge-altiecho’ (= Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost, Jesaja 44:22). Nog na tientallen jaren (8-11-1964) deelt de schrijfster Clara Asscher-Pinkhof ons uit Rechovoth (Israël) over deze ‘Widdoej’, deze belijdenis in het openbaar, het volgende mee:
‘Ik was onder hen, die Jacob Israël de Haans ‘Widdoej’ meemaakten, - één van de groep jongeren, die bleek en ontdaan na zijn ‘lezing’ wegschuifelden en elkaar niet aan durfden zien: de vonk van het geniale-pathologische was tussen hen neergedaald en had hun alle dagelijkse zekerheid en houding weggenomen. Maar duidelijker dan het publiek, waar ik toe behoorde, herinner ik mij de ineengeschrompelde figuur van De Haan zelf, zoals hij achter de tafel achterbleef: eenzaam, omdat niemand het woord tot hem durfde richten, - leeg en ingezakt, - hartverscheurend.’
Eerst na deze mystieke openbaring zou hij de pen hebben gegrepen en Joodse poëzie hebben geschapen. Joodse gedichten, maar waarover? Wat wist hij omstreeks 1909 nog van de Jiddisjkat? Hij had er nooit meer van geweten dan een doodgewone jongen uit de Mediene. Zijn ‘Vader was zijn meester’ geweest en vooral dat had hem gehinderd. Vernederend was het voor hem geweest als opgewonden kinderen te Zaandam op het cheider keet hadden getrapt, opgestookt vaak door ouders, die een hekel hadden aan de eigengereide rebbe, die bovendien niet over didactische kwaliteiten beschikte en ten overmate klef deed tegenover giechelende meisjes. Hij was niet dom, zijn vader; hij dwong echter geen eerbied af. Waaraan lag dat? Alleen maar aan dat vervloekte geld, dat hun jeugd had verpest? Of moest hij dieper gaan zoeken?
Zijn zuster Carry filosofeerde graag over de achteruitzetting van de Joodse geestelijken. Veel later zou zij in HedendaagschFetischisme neerschrijven:
Maar het duidelijkst blijkt, wat er op den bodem ligt van al die bekommering om onze beschaving, in de plaats die het Hebreeuwsch in de waardee-
95