Maar wel Elia’s naam tegen het kwaad Van Ketofiem en uitgeworpen ketters:
In zoele zomernacht legde mij bloot Een van de Ketofiem op vreugden ras;
Hij vond mijn amulet verbaasd, hij las Den naam van Elia en weenend vlood En machteloos hij henen en ik lag Veilig wachtend het waken van den dag,...
Want in het bijgeloof van zijn moeder paste de Hei, de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet, het amulet met Gods naam
O, hart, mijn hart, de gouden amulet,
Gods letter, moge uw zwakheid wel behoeden,
Dat gij veilig blijft voor de wreede woede Van dien Ketef en uw eeuwig heil redt.
Wat al symbolen en voorstellingen drongen zich in hem naar voren: geen brood aan twee kanten aansnijden; geen stoelen op één poot zetten; niet in een ledikant slapen, dat met het voeteneinde naar de deur stond, want zó stonden kisten met dode mensen. Vooral de confrontatie met het leven na de dood: geen witgoed naaien op zaterdagavond (Speisenachtobend); een lijkkleed (sargenes) niet met knopen vastmaken. Hij herinnerde zich dit alles, zonder het wezenlijk te begrijpen. Zijn moeder liet ’s nachts geen water open staan; dan konden de duivels er geen kwaad mee doen. Altijd die sjeidem, die juist kwamen als men ze niet verwachtte.
Weer ging de doodsangst ingrijpen in zijn leven, maar nu ten positieve. Zij wekte dichterlijke intuïties, die stamden uit een oeroud, eigen verleden.
Dat geen vijand des daags mij zou verrassen,
Pagad Balajloo in den Nacht niet naken ...
En dan dat eenvoudige teken voor de noot, onderaan pagina 181 van de 6e jaargang van De Beweging: Pagad Balajloo = een bekoorlijke Duivel. De naam betekent Schrik der Nachten.
Zo dreven duivels hem in allereerste instantie terug naar zijn moeder en zijn vader. Onbewuste, driftige instincten, die hij moeilijk kon voegen in -wat nuchtere mensen plegen te noemen - een levensbeeld. Veel later, toen
94