Maar van verdervende Ketofiem drie Is schandaligst de Ketef-Merierie.
En dan de sprong in de grimmige Psalm, die hem niet losliet, nooit:
De Ketef-Jochoed-Tsohorrojiem ging Op wreede, teedre roof uit, toen scheemring Met bevende wieken zich op hief en De loome zon moew kwam opgestegen.
Hij was van nachtvreugd vermoeid, zacht en keurig Traden zijn voeten, in den rug gebogen Zeer weinig en met moew geloken oogen Liep hij droomig, zijne wangen mat-kleurig,
Even verwelkend als twee bloemen treurig.
Op zijn bloeienden weg ontmoette hij Elia, die ten goede gedacht zij,
De Profeet, die hem berispende vroeg:
‘Waarheen, verdorven Duivel, die verderft Iedren vriend in wiens oog het uwe loech Dat hij geen vredig werk, geen rust verwerft,
Dat zijn ziel eeuwig in het duister sterft -Heeft uw hart van ’t verderven nooit genoeg?’
De Ketef antwoordde, keurig, beleefd:
‘Mijn ziel verlangt nooit zóó naar troeble lust Dan wanneer zij verzadigd en vermoeid Van vreugden afkeer heeft en toch niet rust Vóór nieuwe vreugd hare vlerken verschroeit.
Naar Jangakauf Jisroijl den Leviet Ga ik dezen morgen ... ’
Maar ook behelzen de liederen van de bekeerling het middel om de duivel te bestrijden:
Elia, Elia geloofd zij hij,
Die hield mij van den Morgenketef vrij.
Op mijn hart draag ik dit verhaal beschreven,
Bedreiging en redding, met zilvren letters Op roode zijde in een geldbeurs geweven Van gouden draden, niet één goudschat baat,
93