In mijne vroegere jaren leefde ik lichtvaardig en ongeloovig in huis bij ee-nen ouden man, die meer wist. Hij kende Kétef-Merierie in al zijne verschijningen. Wij liepen over een plein, dat breed was, vol hoornen. Zij waren oud geworden in den laten tijd van het jaar en zij lieten hunne bladeren vallen in den wind, die er mede wervelde. Eene hoop van bladeren draaide snel rond, zonder dat één blad loswoei. Zij bewogen in eenen vreemden wind. De kundige en geloovige man zeide, dat dit Kétef-Merierie was, zoodat wij voorzichtig moesten zijn. Toen lachte ik om zijne kennis en om zijn geloof en ik trapte door de bladeren heen. Toen voelde ik een nekslag en een kaakslag. Daarna wist ik, wie Kétef-Merierie was en daarna word ik volkomen door hem bezeten, wanneer hem dat aangenaam is.
Wat was er aan de hand met die ‘Ketowem’? Vaag herinnerde Jacob Israël zich de motieven uit Psalm 91, zoals zijn moeder hem die had verklaard. Onwezenlijk citeerde hij de eeuwenoude beginwoorden ‘Jousjeiw beseiser Ngeljoun ...’, zoals hij deze vroeger had uitgesproken bij het nacht-laje-nen, het ‘nachtgebed voordat men zich ter ruste begeeft’, zoals de Amsterdamse Tefille (gebedenboek) het formuleerde.
Psalm 91, waarvan de Talmoedische traditie vertelt, dat het het lied van de duivels was, dat ook werd gezegd om de duivels kwijt te raken. Niet alleen de Ketew Merierie, maar ook de anderen, die hij later zou bezingen:
Er zijn drie Ketofiem: in vroegen morgen Dwaalt er één om, die in het versche brood Zijn schaamtelooze boosheid houdt verborgen,
Eet niet, want het geeft smartelijken dood
Er is een Ketef, die begeerig dwaalt.
Zomermiddag, wanneer de zon wit straalt,
De hemel grondloos blauwt, nog schooner zomer Droomt gij met verrukte blikken, geen licht,
Geene schaduw verschuift langs het gezicht
Der hooge hemelen, zoeter en loomer
Luwt de lucht van boomgeur en bloemengeuren,
Zie: rozen, wijntulpen, papavers kleuren ...
Behoedt uw heil: de duistre Ketef dwarrelt In ’t schoonste zomeruur, een ossenhoren Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt,
Om de punt in uw schuldloos hart te boren.
92