Daantje meer voor de glorie van den Poolschen overgrootvader, die in de familie Rabbi Akiba werd genoemd en van wiens bedrevenheid in het schrijven van Wetsrollen, en geleerdheid en gave van voorspelling hij zich altijd opnieuw door zijn moeder wou laten vertellen. Ja, de Rabbi Akiba moest een wonderlijk man zijn geweest, die midden in den nacht het doods-gebed het ‘sjeimets’ hoorde zeggen door verre stemmen, en opwaakte en meebad. .. en zich dan weer ter ruste lei met gelatenheid en het ‘Uw wil geschiede’ op de lippen... en dagen later het doods-bericht kreeg van den ver-verwijderden vriend of verwant, die in dien nacht gestorven was. Over vele andere dingen, die hij gezien en gehoord had, had hij nimmer willen spreken. Nu nog, tientallen jaren na zijn dood, werd zijn sterfdag herdacht met het branden van een stil lichtje hoog op een kast’.
Veel van de geestelijke bagage van Betje Rubens zal zich hebben geconcentreerd rondom apocriefe legenden en verhalen uit het oude Amsterdamse Jodendom. Daarnaast stak er in haar een stuk bijgeloof, dat nog geheel stoelde op de overoude Joodse demonologie. De duivels, de ‘sjeidem’ bevolkten de vaak griezelige vertelsels, die zij in de avond haar gevoelige kinderen toefluisterde. Op hoogtijdagen van het jaar was zij uit haar doen. Op Seideravond, de avond der bewaring, was zij vervuld van een religiositeit, waarmee Izak vaak spotte. ‘Narrisjkat’, dacht hij; ‘niegesj’ (bijgeloof). Ook de kinderen waren weinig toegankelijk voor het middeleeuwse aspect, dat deze excentrieke vrouw vertegenwoordigde. Zo scheen het althans!
In het zieleleven van Jacob Israël werkte dit Joodse aspect het sterkst door. Het eerste Joodse motief, dat aan zijn innerlijk schijnt te appelleren, is de duivel, de Windgeest, de Ketew. Hij heeft hem uitvoerig beschreven in De Nieuwe Gids van 1908.
KETEF-MERIERIE
Kétef-Merierie is een kwaadwillige en Aziatische duvel. Hij woont in Aska-lon, maar door middel van zijne alomtegenwoordigheid, weet hij in alle landen aan alle menschen te komen, die hij voor de verzadiging noodig heeft van zijne grillen, die scherp zijn. Hij martelt mij zoo. Kétef-Merierie speelt met mijne oogen, zoodat zij woest worden, zoodat zij dingen zien, die anders volkomen onzichtbaar zijn. Hij verbijstert mijne ziel en al hare zinnen, totdat ik de meest eenvoudige wegen door het leven niet meer weet. Hij omwikkelt mijn lichaam van mijn hoofd tot aan mijne voeten. Ik proef, fel en bedwelmend, zijn mond op mijn mond. Dan haat ik hem niet, maar ik haat hem sidderend, wanneer ik buiten de verbijstering van hem geraak.
91