Vrouw-moederlief heb ik al lang vergeten,
Van ’t oude huis wil ik nooit meer iets weten.
En toch durf ik nu nog niet komen
Onder dwarrlende blaren van de herfstboomen.
Wij raken de inhoud van Jacob Israëls Joodse opvoeding, die - wat haar essentiële symboliek betreft - afkomstig is van zijn moeder, die hier ook duidelijk tweemaal wordt vermeld.
Betje Rubens had uit het huis van haar vader een Jodendom meegebracht, dat wortelde in de bronnen van oude Joodse mystiek, teruggaande tot het zestiende eeuwse Safed, het huidige Israëlische Tsfat. De Joodse hymnen, daar gedicht en in dat vrome milieu tezelfder tijd doorleefd, drongen door in de liturgie van de gehele Joodse wereld, het Oosten zowel als het Westen. Het Sabbath-lied van Alkabitz, het Lecha Dodie en ook de Sabbath-zang (Ze-mira) van de dichter Israël Nagara, het populaire Jah Ribbon, vonden hun weg naar alle centra der diaspora.
Door vele boeken van Jacob Israëls zuster Carry van Bruggen spoken hardnekkig verhalen over beroemde rabbijnen, van wie de kinderen van Betje Rubens wel zouden afstammen. Niet altijd staan de figuren duidelijk voor ons. Zo ontmoeten wij Rebbe Heele Arjei, een kabbalist, met name Braad-baart, die - naar nog levende familietraditie in Amsterdam - ‘splitter’ zou zijn geweest in de staatsloterij.
Bewustzijn van jichoes (Joodse geslachtsadel) beheerste alle kinderen van de gazzen. En in die jichoes klom naieve romantiek al spoedig naar hetTeis-terbant der befaamde gebroeders Lehren, die mét de bloedeigen Rubensen en nog zovele andere ‘gedoulem’ (groten) aan de wieg hadden gestaan van de oude inzamelingsorganisatie ten behoeve van de arme Joden in het heilige land, de Pekiediem en de Amarcaliem. Van dat gezichtspunt uit moeten wij ook De Verlatene benaderen, geborduurd om de Amsterdamse mythologie van Betje De Haan-Rubens, wier naam terstond in Lehren veranderd, nog extra geloofwaardig wordt gemaakt door de voornaam Akiba!
‘De achteruitgang van de zaak, het verlies van geld en waardedingen, hadden noch hij, noch de moeder zich sterk aangetrokken. In hen allemaal, ook al door erving in de oudste kinderen, leefde een sterk besef van meerderheid om hoogere afkomst, jegens de lieden, die nu hun standgenooten waren geworden. Maar terwijl zich dat gevoel in Jozef en Esther had omgevormd tot de neiging tegenover de kameraadjes te praten over rijken grootvader Lehren, en ze nog vaak betreurden diens staat en aanzien, voelde
90