Dees’ volkenvolle tempelstad worden en Als zonden rijp zijn, ook gerijpt zijn, dan Vloek brengen duizendwendig op dees stad,
Want op de meergrond bouwen mannen vast Eerst maar wat huizen, dan een schamel dorp,
Een sterke stad, stichten soldatenrijk - -Jehosa Een dorp -Marjan Een stad -
Dabora Een groot soldatenrijk.
Naami Onthoud het wel, ik zag het, en weet ook,
Naam van het dorp, de stad, het machtig rijk,
Luid klonk hij in mijn ooren, dat hij nog Naklinkt, zooals wanneer -
Marjan Die naam, die naam,
Zeg ons dien naam -
Naami Gij wilt hem zeerlijk-zeer 1
Welnu ik spreek, onthoud hem allen goed,
Tot aan den laatsten dag van uwe grijsheid,
’t Was
Roma quadrata -
Curieus, dat zulke gedachten konden rijpen in het hoofd van een artiest, die in datzelfde jaar Pijpelijntjes creëerde en die in zijn vrije tijd nog speelde met het christendom. Joodse motieven toch demonstreerden in dit drama ondanks zichzelf een relatief sterke gebondenheid, waarachter intussen persoonlijke gevoelens zich verschuilen.
Willen wij het fijn-vertakte, subtiele, ‘zenuwzieke zieleleven’ van deze Ja-cob Israël echter in de kern aanvatten, dan zullen wij nog andere uitingen van hem onder de loupe moeten nemen, die wij eveneens ontmoeten in de vergeelde jaargangen van Nederland.
In de jaargang 1904 treft ons een eigenaardig gedichtje:
Onze moeder zei: speel hier niet kindren, want,
Dwarrlende blaren zijn zoo zeer-gevaarlijk,
Brengen herfstziekten, die met pijn bezwaarlijk Knoeien ons leven en die geen zomer bant...
En zwerversjaren zijn langs mij gegaan,
Wel honderd menschen heb ik kwaad gedaan.
89