’t Licht,
Glijdt langs de toppen der bergen, Gloort door de boomen der heuvelen, Zag je de maan?...
(Dabora staat op)
Dabora De maan verrees; van bergentop naar top,
Vlamde de roode boodschap door het land,
‘De maan verrees en ’t nieuwe maantij kwam’
Branden de roode vuren hoog,
Tegen de schitterblauwe lucht,
De wachters zien door heel het lage land,
De vuren branden ...
In het vervolg wordt voortgeborduurd op een oude sage, die vertelt, dat de stichting van Rome samenhangt met zonden, eenmaal door het Joodse volk begaan. Op de dag, waarop Salomo zich verzwagerde met de Pharao Necho, daalde de engel Gabriël uit de hemel, stak een rietstengel in de zee, die een zandbank deed ontstaan, waaruit een groot bos ontstond; dat is de grote burcht van Rome. Ten dage, dat Jerobeam de twee gouden kalveren opstelde, kwamen Remus en Romulus te voorschijn en bouwden twee biezen hutten in Rome, Op de dag, dat Elia het aardse leven verliet, werd in Rome een koning uitgeroepen. Zo correspondeerde onheil in Israël met de opkomst van Israëls aartsvijand, die eenmaal Jeruzalem zou verwoesten en de Tempel in as doen opgaan. Klaarblijkelijk boeide dit motief de wordende dichter, die zingt:
Dabora Marjan, wat spreekt zij vreemd Naami En de jaren gingen, waar die groote man De wagenmenner, dien Jehosa zag Zijn wagen heenreed, en vast in den grond Zijn dissel zette, groeiden riet en rusch Groeit langzaam aan de lage zeegrond dicht,
En langzaam rijpen in den langen tijd De zonden van dit volk,
ik weet het wel,
En ginds rijpt ook de grond, die heeft bereid De wagenmenner, en er groeien op,
Zeven heuvels, die als zeven builen voor
88