stuk, dat dus nog altijd bestond. De kansen voor het zionisme (in 1897 was te Bazel het eerste congres door Theodor Herzl bijeengeroepen) werden groter. Dat op 14 augustus 1907 het 8e Zionistencongres te Den Haag bijeenkwam, bleek een feit van grote betekenis in de interne ontwikkeling van de Joodse groep in Nederland. De discussie tussen Zionisten en Socialisten -omstreeks 1900 reeds in volle gang - bereikt een hoogtepunt.
Aanvankelijk onderscheidt het optreden van Jacob Israël de Haan zich niet van de overgrote groep der Joodse letterkundigen zijner generatie. Met dit opmerkelijke verschil, dat hij nergens iets heeft gepubliceerd - laat staan iets negatiefs - over het Joodse milieu, dat hij toch beter kende dan één zijner collega-schrijvers, van wie hij een enkeling persoonlijk moet hebben gekend (Querido). Dat hij onaangenaam getroffen was door Heijermans’ Ghetto, hebben wij eerder kunnen bemerken. Hij, de gefrustreerde zoon van de Zaanse rebbe, mocht dan Verzen van Jezus publiceren, vulgaire kritiek op de Jiddisjkat ontvlood zijn schrijfgrage pen niet. En ditzelfde kan gelden voor Carry van Bruggen, wier eerste boek In de schaduw (1907) spoedig werd gevolgd door De Verlatene (1910). In vergelijking met zijn zuster valt het op, dat Jacob Israël zich nooit in proza over zijn Joodse jeugd heeft uitgesproken. Reeds vroeg moet hij het dichterschap juist in dit opzicht als zijn enige creatieve mogelijkheid hebben aangevoeld. Als een merkwaardige proeve omstreeks 1900 kan gelden zijn Spel van verwoest Jeruzalem, dat in 1903 in Nederland verscheen en dat werd opgedragen ‘Aan: A. Aletrino, met diepsten eerbied en vriendschap.’
Het stuk speelt in Jeruzalem, in de koningentijd en wel ‘met het nieuwe-maansfeest’. De ‘Lieden van het Spel’ dragen deels Bijbelse, deels excentrieke namen: Naami, Jehosa, Marjan, Dabora, Naphani, Anarbal, Miani, Dan-delon.
Opvallend is het, dat uit het stuk zelf een zekere kennis van Joodse tradities en van Talmoedische sagen kan blijken. Zo wordt gesproken over het systeem, dat werd toegepast bij het doorgeven van berichten over de iiieu-we maan. Van Palestina uit werden door vuurseinen op de bergen hierover mededelingen gedaan naar de landen der diaspora. Eerst als wij dat weten, wordt ons het begin duidelijk:
Marjan Boven de bergen is de maan gekomen,
Op de heuvelen hebben de wachters,
De roode vuren al ontstoken,
87