en Morgenrood’ een nieuwe fase ingegaan. De opkomst van het socialisme had de houding van de Joodse massa tegenover de overerfde tradities ingrijpend gewijzigd.
Het waren socialistische Joodse auteurs, die voor het eerst aandacht gingen vragen voor de tekening van het Joodse milieu. De rij werd geopend door Israël Querido’s Levensgang (1901). Vervolgens bracht Heijermans Sabbath (1903), Diamantstad (1904) en Ghetto (1908). Zij waren de wegbereiders, die als socialisten uit rancuneuze overwegingen een afrekening behoefden. De derde emancipatie der Joden was toen in volle gang. De officiële gelijkstelling in 1796 had slechts een kopgroep van burgerlijke kosmopolieten omvat. Na 1848 was de emancipatie der gegoede Joodse burgers object geworden van de praktische politiek van een liberalisme, dat Abraham Kuyper later zelfs als een geheel verjoodst stelsel zou beschouwen.
Ook voor de proletariërs in de Amsterdamse Jodenhoek - tot die tijd een min of meer gesloten groep, levende naar de oude normen - worden de mogelijkheden geopend tot het doordringen in de niet-Joodse maatschappij. De rekening wordt gepresenteerd aan de burgerlijke regenten van de Joodse gemeenschap, met wie de Rabbijnen - naar de opvattingen der socialisten - gemene zaak hebben gemaakt.
Bij Querido en Heijermans treft ons de haat tegen het Joodse klerikalisme, dat met het Ghetto wordt geïdentificeerd en dat in Diamantstad zo aangrijpend is verpersoonlijkt in de droevige figuur van de muffe rebbe en dia-mantsjacheraar Druif. Hetzelfde antiklerikalisme, dat in Café Boer door Querido voor de leden van Spartacus, Kracht en Vlugheid en De Halter op even dwaze als oppervlakkige wijze werd gedoceerd en waarbij zeker externe impulsen te constateren zijn van De Dageraad en Multatuli.
Zeldzaam grove voorbeelden van dit nietszeggende atheïsme vinden wij in Heijermans’ De Jonge Gids, ergens genoemd: ‘het wilde tijdschrift, het wildste, dat het goede Holland ooit had gezien en waarin alles, wat het tot nog toe, een eeuw lang, ja eeuwen lang had aangebeden, werd gehoond, bespuwd, in de goot getrapt: de eigendom, het huisgezin, het geld, maar bovenal de oppergod, waar Holland nog altijd voor knielde: het Fatsoen, ondanks Multatuli nog ongeschokt als de dominees in de kerken.’ Indien inderdaad ‘Colijn’ een der vele pseudoniemen van Heijermans mag zijn, lees eenmaal Groote Verzoendag uit de eerste jaargang. En mocht dan het Amsterdamse Ghetto in anti-Joodse demonstraties onderdoen bij centra als Londen en New York - de felheid was er ongebreideld, de toon smakeloos. Omstreeks de jaren 1903-1910 zet intussen een reactie in. De Russische pogroms van Kischinew (april 1903) vestigden de aandacht op een Joods vraag-
86