Joodse gedichten? Was deze ‘voyageur sans bagage’ wel op weg naar zijn eigen ik-in-het-verleden? Wij raken het meest wezenlijke vraagstuk van zijn leven: de Tesjoewa, zijn inkeer en terugkeer beide.
Wij worden verplaatst naar het geheim van Joods zieleleven. Vier stadia kent naar onze traditie de inkeer:
Het erkennen van de zonde.
Het bekennen daarvan.
Berouw.
En tenslotte: het verlaten van de slechte weg. Slechts hij, die deze stadia heeft doorlopen, is een Ba’al Tesjoewa, een ‘baltesjoewe’. Zijn levenspad moge oneffen zijn geweest, onzuiver, onrein, God zal de verloren zoon zijn liefde niet onthouden.
Zegt niet Maimonides in zijn Hilchot Tesjoewa, dat de tot inkeer gekomene ondanks al zijn vroegere zonden de graad van vervolmaking kan bereiken, die voor de rechtvaardigen is weggelegd? Juist de ‘baltesjoewe’ wordt door God bemind; nog meer dan degene, die nimmer is afgeweken. Onze wijzen zeggen: ‘Daar, waar Ba’ale Tesjoewa hun plaats hebben gevonden, kunnen volmaakt rechtvaardigen zich niet meer handhaven.’
Hoe en wanneer onderkennen wij bij Jacob Israël de eerste symptomen van deze weg terug? Stellen wij terstond, dat door alle oneffenheden van deze zielige start in het grote leven, ook bij deze gederailleerde jongen bindingen met Joodse substantie waren blijven bestaan. In zijn marxistische dagen niet minder dan in de dagen van de Verzen van Jezus. Gluurt door de heftigheid, waarmee deze gazzenszoon zijn jeugd wegtrapt, niet tegelijkertijd een symptomatische onmacht? Als Allard Pierson, naar een formulering van Gerard Brom, was ook deze Jacob de Haan een oester, die buiten zijn schelp gegleden was. Midden in de Pijpelijntjes-affaire vond hij zijn tweede naam Israël terug. Voelde zijn feilloos instinct, dat hij alleen door te springen binnen de muren van de oude bescherming, kans had niet geheel verloren te gaan? Of wist hij nog zeer bewust uit het huis van zijn vader, dat Israël, die misdreven had, toch Israël bleef?
Het Nederlandse Jodendom was omstreeks 1900 ‘tussen Götterdammerung
85