abonnés wegens de opdracht bedankt hebben. Maar zulk soort abonnés hadden ook wel kunnen bedanken door het enkele feit van mijne medewerking of door het feit, dat op de band van de Nieuwe Gids eene annonce voor mijne geschriften voorkomt. Waarlijk: men kan het toch nooit iedereen naar den zin maken. Ik wil in het midden laten of een redacteur het recht heeft eene geaccepteerde bijdrage weder terug te zenden. Mij dunkt: als u waarlijk mijn werk, dat u waardevol vindt, voor de Hollandsche letterkunde hadt willen behouden, dan hadt u voorloopig kunnen volstaan met mij te vragen buiten uwe voorkennis geene opdrachten meer te doen. Zoo-als u nu eene bijdrage, die reeds gezet is, laat wegvallen en mij eene andere geaccepteerde terugzendt, maakt u het mij zeer zwaar, en dat is niet noodig. In dit verband nog eene andere zaak. De Heer L. van Deyssel had voor de 20ste Eeuw sinds October 1906 eene groote bijdrage geaccepteerd, die wegens plaatsgebrek nog niet werd opgenomen. U kent dat werk: fragmenten uit het tweede deel van ‘Pijpelijntjes’.
Hebt u bezwaar tegen de plaatsing van dat werk in de gecombineerde Nieuwe Gids en 20ste Eeuw!
Wat ik eenige maanden geleden niet dacht is door eene plotselinge wending gebeurd: ik ben bijna volkomen uit de Hollandsche letterkunde weggedrongen. Er is nog slechts één tijdschrift (Groot-Nederland) waar ik iets zou kunnen plaatsen.
Van morgen toen ik uwen brief kreeg stonden veronal en morfine naast mijn bed. Ik dacht: een weinig meer dan anders en uit is de smart.
Met vriendelijke groeten en blijvende waardeering uw dienstw.
w.g. Jacob Israël de Haan.
En we zijn er weer helemaal midden in. Met dit bepalende facet, dat de auteur in dit stadium zelfbewuster optreedt. Daar was alle reden voor! Jacob Israël was bij het verschijnen van zijn tweede roman immers al op weg naar een andere maatschappelijke omgeving. Het plan om medicijnen te gaan studeren had hij laten varen. Na zijn Staatsexamen A (1903) koos hij de juridische richting. Op 22 mei 1905, toen de Pijpelijntjes-stormen om hem raasden, legde hij voor de eerste maal het candidaats af; hij kreeg zes maanden. Op 23 november slaagde hij. Op 6 juli 1909 volgde het doctoraal.
Te midden van alle studieperikelen (het liep helemaal niet zo vlot als latere legenden in Joodse kring wel deden vermoeden) gaat hij voort met zijn actie voor ‘rechtsherstel’. Hij blijft Kloos bombarderen met brieven, die in het najaar van 1910 tot een crisis leiden. Van 2 oktober 1910 stamt het volgende schrijven:
78