Van de Palestrinastraat 27 schrijft hij hem (27-11-1908):
WelEdelGeb. Heer!
Uw brief, die mij zeer veel leed doet, heb ik van morgen in zeer onaangename omstandigheden ontvangen. Ik ben n.1. deze week plotseling, zonder eenigen opzegtermijn door B. en W. van Amsterdam ontslagen als reserve-onderwijzer aan de gemeente-scholen, alleen op grond van mijne geschriften. Ik heb dus nu geene betrekking en geene kans er eene te vinden. Gelijk met uwen brief kwam een brief, die deze zaak onherroepelijk afsnijdt. Daarbij een brief van eene krankzinnige zuster van mij uit Meerenberg om hulp en u kunt u precies voorstellen in welke stemming ik u beantwoord. Mocht ik dus bits worden: houd het mij ten goede.
Wat de opdracht aan den Prins Zu Eulenburg betreft, ik kon die niet anders plaatsen dan in de drukproef. Want ik weet nooit vooraf welke fragmenten er door u uitgekozen zullen worden of welke novellen en ik had dus boven alle fragmenten en novellen de opdracht moeten zetten, wat eenvoudig bespottelijk zou zijn geweest. Bovendien: toen ik u, in het begin nog des jaars, mijn proza zond was de Prins Zu Eulenburg, die wat hij nog meer zij, toch een goed kunstenaar is, nog niet zoo behandeld, dat ik als protest een dedicace moest gebruiken. Dat een auteur in het algemeen in de drukproef zou mogen zetten, is niet juist. En uw bezwaar geldt de opdracht aan den Prins Zu Eulenburg. Ware het b.v. Giza Ritschl geweest, die het mij gevraagd had, dan hadt u geen bezwaar gemaakt. Ik heb absoluut niet iets achter uwen rug willen doen, zooals u schrijft. Dat valt buiten mijn aard. Bovendien: ik dacht, dat u bij het opmaken van het tijdschrift de stukken onder de oogen kreegt.
U hadt ij fragmenten geaccepteerd en daarvan waren er 10 geplaatst in de Nov. aflev. Hebt u dus, toen u besliste, dat de fragmenten niet in eene aflevering konden, de opdracht niet gezien!
Wat de ongunstige uitlatingen der couranten betreft: de couranten zijn mal. In October had ik eene bijdrage in Groot-Nederland. Het Vaderland moet er over geschreven hebben (ik heb het maar van hooren zeggen!) dat ze niet begrepen, hoe zoo een stuk in een tijdschrift kwam. Over hetzelfde stuk schreef de Hollandsche Revue zeer bewonderend: mooi, intensief, gevoelig proza, curieus en exquis. Zoekt u het nu maar uit.
Ik word vrij goed op de hoogte gehouden van wat de couranten zeggen over tijdschriften, waaraan ik medewerk. Welnu: Het Handelsblad had geene ongunstige uitlating. De Telegraaf zei iets onaangenaams van mij persoonlijk, maar noemde de aflevering zeer belangrijk. Het spijt mij, dat
77