verschijnen van Pathologieën, De ondergangen van Johan van Vere de With door Jacob Israël de Haan (met eene Voorrede van Georges Eekhoud), te Rotterdam bij Meindert Boogaerdt jun.. Teleurstellingen zouden hem ook t.a.v. dit boek niet bespaard blijven! Van Eeden had reeds in 1905 uit Walden geschreven:
Waarde de Haan!
Ik stuur u het boek terug, daar ik toch niet in staat ben het uit te lezen. Het begin is eenigszins imitatie van de ‘Koele meren’ verder op wordt het door stijl en wezen voor mij onleesbaar.
‘Kunst moet ontstaan door vreugde om God’s werk’ zei Ruskin en ik ben dat met hem eens.
Ik noem een boek als dit geen kunst. Maar daar je toch je eigen weg blijft volgen en liever gelooft wat lof-sprekers zeggen baat het ook niets, of je mijn meening vraagt of weet.
Verschoon me dus liever van het beoordeelen van je werk.
Groetend F. van Eeden.
Over een stap bij de uitgever Versluys peinst hij geen seconde. Bijna vernederend klinkt Joops brief ons nog in de oren:
Beste Van Eeden,
de getypte afdrukken van mijn boek ‘Pathologieën’ zijn klaar, en Dinsdag, als de losse bladen bijeen gebonden zijn, zal ik je een exemplaar naar Walden zenden. Ik heb er twee, maar ik mag er geen voor je missen. Wel echter, krijg je een gedrukt exemplaar, dat is natuurlijk, want je bent mijn trouwe en groote vrind.
Ik weet, dat je veel in mijn boek zult missen, dat je zeer liefhebt, je hebt dit genoemd: goddelijke wijsheid. Maar ik hoop ook, dat je er de mooie en verteederde dingen uit nemen zult. De woordentaal en de zinnentaai zijn soms vreemd, vergeleken met de dagelijksche taal, maar er is geen woord en geen woordswending bij, die ik niet in mij heb gehoord, als ik sterk gestemd dit boek bewerkte. Wil je mij eerlijk, (ach, dat spreekt vanzelf) zeggen hoe je het vindt.
Georges Eekhoud heeft het al gelezen, en die bewonderde het wel, als een sterk en gaaf boek. Hij zal er eene voorrede bij maken, en ervan verzorgen eene buitenlandsche vertaling. Wat had ik niet liever, dat jijzelf dit boek bij de lieden zoudt inleiden, die toch mijn vriend bent van jaren her. Nietwaar, in nood heb ik je altijd weer opgezocht, en dat is juist het bewijs, dat ik veel
75