en uwe vrouw wel voor uwe wenschen ter gelegenheid van ons huwelijk ontvangen. Wij waren de eerste week des nieuwen levens te Parijs, maar zijn nu weer thuis.’
Dat Johanna van Maarseveen van betekenis is geweest voor de maatschappelijke adaptatie van de gazzenszoon, staat vast. Nóg blijft deze bezig met zijn kankeren tegen de S.D.A.P., die hem zo slecht heeft behandeld. Over het Deventer Congres van 1909 schrijft hij - 2 jaar later - een levendige brief aan Van Eeden, die typerend is voor zijn belangstelling en inzicht in de questions brülantes:
Beste vriend Van Eeden, een brief van mij. Lees je de Hollandsche dagbladen? Ik zal maar denken van niet. Nu: heel veel verlies je er in het algemeen niet aan. Maar dezer dagen hebben wij toch iets grappigs. Het buitengewone congres der S.D.A.P. Ik zal je morgen Het Volk zenden en De Telegraaf, en de congresverslagen. Moet je bepaald lezen. De hoofdredacteur van De Telegraaf is vroeger lid van de S.D.A.P. geweest en is nog altijd fel op hen gebeten. De andere partijen zijn natuurlijk over den uitslag zeer verheugd. De couranten zullen wel wat later komen: de uitslag is deze geweest, dat de redacteuren van De Tribune zijn geroyeerd. Hoeveel van de groote lui er nu uit zullen gaan, is niet te zeggen. Mendels heeft gezegd, dat hij er uit gaat. V.d. Goes, Wibaut, Roland Holst en Gorter blijven. Troelstra heeft over de geheele linie getriomfeerd. Het was een débacle voor de Marxisten. Van nu af aan is de S.D.A.P. niet meer dan een gewone burgerlijke partij. Het Vaderland vroeg dan ook zeer terecht of de heeren de S. er nu maar niet af zouden laten.
Ook van zijn homoseksuele schrijverij raakt hij niet in één dag af. Aan Robbers schrijft hij begin 1907:
‘Ik heb mijn aanstaande vrouw, die dokter is, beloofd geene “Pijpelijntjes-achtige” litteratuur meer te maken en die belofte heb ik willen houden. Welnu, daar ben ik zoo ziek van geworden, dat zij zelve mij heeft gezegd, dat ik schrijven moest naar behoefte ... ’
En hij vervolgt:
‘Ziet U, mijn verhalen zijn gruwelijk of onzedelijk. Ik kan niet anders. Al moest ik op de plaats dood blijven.’
Het is in deze jaren (na 1907), dat Jacob Israël nog actiever schijnt op het onderhavige gebied dan in de jaren omstreeks 1904! Daar is dan allereerst het
74