danger.” Mochten we maar alles zeggen. Hannie had een arme meid bij zich, die vreeselijk siphilis had en verbeel-je, die ging trouwen ook. Ze wou nu dat mijn vrouw haar daar afhielp. Maar die zei, dat ze niet trouwen mocht. En nou is ze boos weggebleven.’
De goegemeente wist al vroeg van de verhouding tussen de Amsterdamse Gemeente-arts en de jonge Joodse onderwijzer uit Zaandam. Men dacht er het zijne van; men geloofde er niet in. De gebeurtenissen rondom Pijpe-lijntjes hadden dit gevoel één moment nog sterker gemaakt. Was zij het niet geweest, die samen met Aletrino de eerste oplaag uit de circulatie nam? Maar het onwaarschijnlijke bleek waar: Johanna van Maarseveen liet haar vriend niet in de steek. Hij heeft dat nooit vergeten! De offers, die zij al had gebracht, waren intussen niet gering. Aan Van Eeden schrijft Joop: ‘De goede Hans laat je groeten. We zijn beide zeer verarmd, en zij moet door hare betrekking nog eene schijn van weelde ophouen, die ons zwaar drukt. Het is alles zeer vernederend en moeilijk.’
Dit citaat is ontleend aan een ongedateerde brief, reeds geschreven van het adres Palestrinastraat 27. Hiervandaan werd ook verzonden de keurig gedrukte kaart (gele letters op crème papier), die toch nog indruk maakte naar vele zijden:
JOHANNA VAN MAARSEVEEN
en JACOB ISRAËL DE HAAN
geven U kennis van hun voorgenomen
huwelijk, waarvan de voltrekking
zal plaats hebben op 28 Maart 1907.
De bruidegom had er zo waar wat van gemaakt! Aan Van Eeden schrijft hij:
‘Beste Van Eeden, zooals je uit de kaart ziet, gaan we trouwen. Ik weet zoo zeker, dat je ons beiden van harte het goede wenscht. Aan je betrouwbaarheid en trouw twijfel ik nooit. Ik had je willen vragen of je getuige bij het huwelijk had willen wezen, maar ik heb dat nagelaten, omdat ik vreesde lastig voor je te zijn.
We trouwen Donderdag 28 Maart. Er is dan een lunch om twaalf uur in het huis van Hans (Palestrinastraat 27). Wil je van de eenvoudige partij zijn? Je bent de eenige zoowat van de groote menschen, die mij genegen bent gebleven. Daarom vind ik het prettig, als je komen wilt’. Er volgde een korte honeymoon, waarvan Verwey op de hoogte wordt gebracht: ‘wij danken u
73