O, laat mij wild zijn warme wonden kussen,
Hoog-hoog opstormend en weer heerlijk snikkend.
Maar neen, maar neen, dat hoofd zoo stil gebogen,
De zachte blik dier half-ontloken oogen,
Die bruine lippen, dorrend naar wat water,
O, God, Gods Zoon hangt in den kalmen nacht Maar heerlijk stil in meer dan kalme pracht,
Sterft aan ’t hoog hout o, mijn al-lieve Vader.
In 1904 - het jaar van Pijpelijntjes - worden de Verzen van Jezus in Nederland eindelijk gepubliceerd, zij het met gewijzigde tekst en in een ietwat andere vorm. Een onderzoek naar de varianten schijnt wel overbodig bij deze uiterst-zwakke poëzie, die (mét het gehele jeugdwerk tot 1909, het jaar dat Albert Verwey voor de eerste keer verzen van De Haan een plaats waardig keurde in de Beweging) door K. Lekkerkerker niet in de Verzamelde Gedichten werd opgenomen. Hoogstens valt op, dat de eerste twee sonnetten, die hij Van Ee-den stuurde, in Nederland zijn opgedragen aan Hélène Vacaresco en dat het derde vervangen is door een ander, dat nu als opdracht heeft: Voor Frede-rik van Eeden. Als vierde wordt dan afgedrukt een sonnet Nonnen (Voor Gi-za Ritschl) en tenslotte een vijfde wederom: Aan Hélène Vacaresco. Waardeloos als poëzie zijn deze uitingen des te merkwaardiger voor de zoon van de Zaanse rebbe, die dus omstreeks 1900 reeds liebaugelt met het Christendom. Dezelfde periode, dat hij n.b. het linkse socialisme propageert en zich voorbereidt voor romans als Pijpelijntjes. Hoogst gecompliceerd dit alles. Of ook weer niet? Wij worden geconfronteerd met een verscheurde Joodse persoonlijkheid, die in doodsangst voor het leven zoekt naar alle afzetmogelijkheden voor zijn gulzig-scheppende ik. Als hij maar gehoord wordt!
Aan zijn bedenkingen tegenover thuis (waarmee hij in zijn brieven aan Van Eeden hier en daar etaleert) moeten wij geen enkele waarde hechten. De opmerking, dat zijn Christelijke liederen ‘één leven’ zouden maken, demonstreert alleen maar hoe goed hem dit zou doen. Altijd maar beuken met zijn ‘moewe’ kop tegen de muren van norm, conventie, wet, regel. Dat was het doel waarnaar hij streefde. Anarchist, marxist, christen, homoseksueel, maar in elk geval geen jood! Niet meer die onverdragelijke sfeer van de lange sjabbesmiddagen, die retrospectief in alle kleurloosheid zijn troebele herinnering vullen. Dat mag niet, en dat mag niet. Nu mocht alles. Mocht alles? De Pijpelijntjes-zftaire leerde hem anders. Als het zijn bedoeling
69