II
Maar iedere drop van zijn röo-rozenbloed,
Breekt door den nacht en bloeit met zacht getril,
Een warme bloesem van den warmen wil,
Waarmee hij eens ons leven heeft geboet.
Ik staar hem aan en proef het koele roet Van zijne oogen en het zacht geril,
Van ’t donker bloed op hoofd en hande is stil Hoe gloeit hij wijd in d’eigen-rijke gloed.
En o, zijn hoofd bleekt in den blauwen nacht Een wondre bloem, die altijd wijder gloeit,
Altijd maar wijder, in één licht-gloed bloeit,
Maar eer de zin in ’t scheemrend Oosten lacht,
Op morgenmist en wolken weer vervloeit,...
Dan slaap ik in en ween en waak en wacht.
Je weet, dat ik moet geleden hebben om Jezus en om deze verzen. Maar nu zijn ze mij de twee liefste kindren, die ik heb.’
Durft hij ze niet te publiceren! Hij doet integendeel alle moeite. Aan Van Eeden schrijft hij:
‘Misschien komen die twee verzen van Jezus in De Gids. Maar ik durf niet goed. Je begrijpt het zou een enorm leven maken en ik moet nu in Augustus wel naar Zaandam. Ik zou wel liever hier blijven, maar dat zou de heele familie op stelten zetten. Ik voel een namelooze behoefte om zacht en vriendelijk te zijn, maar wat geeft ’t!’
En dan volgt terstond het derde:
Hoe hangt nu stil in deemoed nederblikkend Gods liefste-mijn, die bloed en tranen gudsen,
Langs ’t heete hoofd, een rozen-hoed hem schikkend,
Wie zal de smart dier rozenknoppen sussen.
Laat mij zoet-stil zijn leed beschreien, tusschen,
Die lieve armen om mijn hoofd zich schikkend,
68