zo gekozen waren, dat getuigen (althans bezwarende getuigen) niet ter plaatse waren - en je - tenslotte - dat de daders snel en ongemerkt konden ontkomen en wel naar een plaats (Schenoenat Borochov?), waar niemand ze zocht. De wel in arrest genomen personen (wij denken b.v. aan de ook in de rapporten van de Nederlandse consul-generaal genoemde - intussen overleden - Manja Schochat) moesten spoedig in vrijheid worden gesteld. ‘The apparent coolness of the act, and the speed with which the murderer - or murderers - was lost in the maze of ancient Jerusalem, suggests that the crime was planned and carried out by someone who had calculated the risks and was well acquainted with the habits of the victim’ (Daily Express).
Kenners zijn dan ook geneigd deze moord te vergelijken met die (in 1933 uitgevoerde) op Chaïm Arlosoroff. Zowel wat het zuiver politieke element aangaat, alsook terzake van de voorbereiding en de onoplosbaarheid.
III
In de reacties, die terstond na de moord van Joodse zijde verschenen, valt op, dat naar buiten als officiële lezing gold de oud-Joodse afwijzing van de broedermoord. De afbuiging van het geval-De Haan in de richting van homosexuele moeilijkheden met Arabische jongetjes diende vooral om invloedrijke Westeuropese orthodoxe kringen (zoals te Frankfurt am Main) huiverig te maken. De tendentieuse - en historisch waardeloze -brochure van A. Z. Ben Jisjai wordt daardoor bepaald ontsierd. Hoe gunstig steken daarbij af de eerder genoemde eigentijdse beschouwingen van Wolfgang Weisl. Weisls (psychiatrische) analyse geeft een aanvaardbaar beeld van de Jeruzalemse Jacob Israël, wiens Nederlandse achtergronden de schrijver uiteraard niet kon kennen. Diens chicaneuse journalistiek wordt raak getypeerd. Het pathologische ziektebeeld van de dichter schijnt hier en daar misschien aan de oppervlakkige kant. Maar in elk geval gaf Weisl naar de zijde der buitenwereld een aannemelijke verklaring op een aanvaardbaar niveau. Hij verdoezelt eigenlijk niets en durft zelfs stellen, dat ‘die Kugel des Mörders barmherzig war...’ Hij toont zich naar buiten bepaald opgelucht!
Naar binnen was men zelfs blij. Letterlijk uitte zich Harry Sacher tot S. A. van Vriesland (zij zitten samen aan tafel bij J. H. Kann als het bericht van de moord komt; naar mededeling van Dr. V. E. van Vriesland): ‘I am glad’. Andere mededeling uit Israëlische bron: een man, die het bericht verneemt, zegt plechtig: ‘Gezegend hij die hem heeft vermoord’ (Baroech sjeretsacho).
385