rechtsgeleerde en dichter, voelde hij zich toch ongelukkig. Zijn werkzame geest is rusteloos, hij tracht grootsche dingen te volbrengen ten bate van anderen en tot zijn eigen bevrediging. Mr. de Haan heeft dit in verschillende bewegingen gezocht, doch niet gevonden, tot hij zich bij de Zionistische beweging aansloot. Daar vond hij troost, daar voelde hij zich wèl.’
Een bewaard gebleven epistel van De Haan aan zijn rebbe luidt:
‘Jaffa, Briefadres Jeruzalem P.O.Box 163 io-9-’i9
Zeer waarde Heer Straschun, ja, ik schrijf weinig. Maar ik heb het hier al net zoo volhandig als in Holland. Ik ben bang, dat u hier niet licht eene betrekking zult vinden, waarvan u met vrouw en drie kinderen leven kunt. Een onderwijzer of leeraar verdient hier 15 Pond per maand. Dat is/180.— Dat lijkt nog heel wat. Maar alles is hier zoo duur. Men zegt, dat het van den winter nog veel duurder zal worden. Het blijft maar wachten, wachten. Ik heb gehoord, dat u solliciteert voor leeraar. Weet wat u doet. Het geld smelt hier weg.
Ik ben een maand in Jaffa geweest. De feestdagen hoop ik te Jeruzalem door te brengen. Dan denk ik naar Hebron te gaan. En daarna Jaffa en de koloniën.
Ik heb goed van u geleerd. Dank u wel. En ik spreek al fijn Sephardisch. Weet u wie hier is? Dr. I. Epstein, u weet wel, over wiens boek wij samen in het Hebreeuwsch hebben geschreven. Hij is inspecteur van onderwijs. Een beste man. Hier in Tel Aviv spreken ze veel Hebreeuwsch. Ik lees de krant al goed vlot. Maar wat een hoop nieuwe woorden!
Veel groeten aan uw vrouw, aan de kinderen en aan alle vrienden en bekenden van uw hartelijk toegenegen
Jacob Israël de Haan.’
Bij pag. 203
‘Beste Joodse gezinnen’ vgl. Jacob Israëls brief op pag. 308/9. Hij noemt daar (N.) Davids, (Dr. H.) Pinkhof en de familie van Simon Tal. Het drietal is gemakkelijk aan te vullen met de namen van Rabbijn De Vries, Opperrabbijn A. S. Onderwijzer (de schoonvader van zijn broeder Meijer), Rabbijn J. Vredenburg etc. In zijn gelegenheidsgedichten herleven deze contacten. Daarover schreef J. C. Bloem, Verzamelde Beschouwingen, pag. 101:
‘Het gelegenheidsgedicht staat tegenwoordig niet in goeden reuk (misschien omdat de dichters het niet meer kunnen schrijven?), maar was het Goethe niet, die zei, dat alle gedichten eigenlijk gelegenheidsgedichten zijn? In zijn diepsten zin spreekt dit vanzelf, elk gedicht heeft natuurlijk
37i