Straschun was (naar mededelingen van Prof. Dr. B. de Vries, Israël) destijds de enige modern-Hebreeuwse leraar in Amsterdam. De Vries, die met hem deel uitmaakte van de toenmalige Mo’adon Iwri, gaf van Jacob Israëls leraar een sympathiek beeld, dat ook door de correspondentie van de dichter en zijn rebbe wordt bevestigd.
Uit latere publicaties van De Haan blijkt, dat hij verzot is en blijft op grammatica. Lexicologische en signifische onderzoekingen stonden zijn bestudering van het Hebreeuws misschien wel in de weg. ‘Veel grammatica. Dat maakt de kennis stevig’ - heet het in een brief aan ‘Job’ Oppenheim.
Zijn beschouwingen over Ben Jehoeda (Handelsblad 31—5—1919 en 18-6-1919 -gevolgd door Hebreeuwsche Significa 6-7-1919) schijnen eerder onverteerde verlengstukken van Nederland en als zodanig een weg terug, dan voorboden van iets nieuws. Wat kon het Ben Jehoeda schelen dat het Nederlandse woordenboek van Koenen vol zat van fouten.
Overzien wij zijn signifische publicaties dan treft het ons, dat hij nagenoeg uitsluitend Hebreeuwse bronnen citeert, hem toegankelijk in bij voorkeur Nederlandse vertaling. Behalve de in de biografie genoemde voorbeelden, wijzen wij op de noot op pagina 175 van zijn dissertatie (ter zake van ‘rente’) - op beschouwingen over het voegwoord ‘kie’ in Nieuwe Rechtstaal-Wijsbegeerte (Rechtsgeleerd Magazijn, 1915, pag. 464) - op citaten uit Ibn Gabirol in zijn Openbare Les, pag. 11 etc.
Dat Bialik (als Hebreeuws dichter) en Ben Jehoeda (als lexicoloog) hem innerlijk dwars zaten, blijkt op vele plaatsen. Eigenaardig de opmerking van zijn vijand A. Z. Ben Jisjai (Ha ‘kadosj’ De Haan, Jeruzalem 5685). De Haan zou hem eens - na een conflict - op straat hebben aangehouden. ‘Luister’ -aldus De Haan fluisterend in dit verhaal - ‘waarom zou je mij haten? Laten we vrede sluiten. Ik schrijf in het Nederlands gedichten, die schoner zijn dan die van Bialik. Laten we vrede sluiten en tezamen die gedichten in het Hebreeuws vertalen - dan zullen we beiden beroemd worden...’
Straschun schreef 31 januari 1919 in ‘de Groene’ over ‘Een merkwaardig man naar een merkwaardig land’:
‘Hoe groot de magische kracht van Zion is, heeft men nu weder kunnen zien bij Mr. Jacob Israël de Haan. Daarom baart zijn vertrek naar Palestina groot opzien.
Merkwaardig is Mr. J. I. de Haan. Wie zijn persoon en zijn levensloop kent, wie zijn Joodsche liederen leest, is er onmiddellijk van overtuigd, dat hij een buitengewoon man is. Hoewel jong in jaren is hij helaas rijk aan bittere ondervinding, bedrogen illusies, ontevredenheid en knagend berouw. Ondanks de waardeering, die hij vond, als significus en taal-philosoof, als
370