Bij pag. 172
‘De Zionisten exponeerden hem nimmer’. Vergelijk pag. 239 van deze biografie: het citaat uit J. E. Vleeschhouwers bijdrage tot het De Lieme-nummer van De Joodse Wachter, juni 1952 (Nehemia de Lieme als Jood - Een levensloop als phase van Nederlandsch-Joodsche geschiedenis).
Over De Haans positie binnen de Nederlandse Zionistenbond spraken wij met thans wijlen Alfred Polak, gedurende jaren onze mederedacteur van De Joodse Wachter, (thans wijlen) M. J. Levie (Israël), (thans wijlen) Rabbijn De Vries, Mirjam de Leeuw-Gerzon (Israël), Dr. Victor E. van Vriesland en anderen. Dat Jacob Israël Ornstein stelde boven De Lieme werd ons door meerderen verzekerd (o.m. door Van Vriesland). Dat hijzelf De Lieme op vergaderingen sarde - dat hij ook wel na afloop van bijeenkomsten - innerlijk gewond - huilende achterbleef, het zijn verhalen, die zijn apartheid ook in de kring der Zionisten illustreren. De talloze mededelingen van Rabbijn De Vries op dit punt, ons bij herhaling gedaan (ook en vooral in Westerbork), vormden de basis voor onze beschouwingen. Essentiële verschilpunten traden in al onze interviews ter zake niet naar voren.
Tot het huldigingscomité van eind november 1918 (op initiatief van mej. Mr. Hans Hillesum en Mr. Izak Prins tot stand gekomen) behoorden zowel De Lieme als ook Ornstein. En met hen een keur van andere Zionisten en Mizrachisten als E. Asscher Ezn, M. H. van Campen (toen nog Zionist), Joseph Gompers, Mr B. P. Gomperts, Mr. M. L. Kan (de laatste vooroorlogse voorzitter der N.Z.B., omgekomen in Bergen Belsen) en Rabbijn S. Ph. de Vries.
Bij pag. 17]
Vergelijk voor Isaac da Costa als Joods dichter, J. Meijer, Isaac da Costa’s weg naar het christendom, Amsterdam 1941; Martelgang of Circelgang, Paramaribo 1954 en laatstelijk in Zij lieten hun sporen achter, Utrecht 1964.
Jacob Israël deed zich terstond kennen als een dichter, die naar oer-Joodse substantie zocht. In zijn eerste - door Verwey geaccepteerde - lied in De Beweging (Negen Ab) bewerkt hij het lied der martelaren (Atv Harachamiem). Uit liturgische motieven groeit langzaam maar zeker een ‘nationaal’ element. Dan al - in 1910 - heet het:
‘Volk zonder Vaderland: der volkren spot,
Verwoest is ons land, verbitterd ons lot.
Vader, Vader, die in de Heemlen woont,
De zon verlicht, op bonte wolken troont:
Arenden zijn snel, maar zij waren sneller
368