ZJON ZONDER ZIONISME
Bijpag. jtfpv.v.
Vergelijk voor de geschiedenis van de 19e eeuwse ‘Chibat Zion’ (liefde voor Zion)beweging: N. Sokolov, Hibbath Zion (‘Stating the principles and ac-tivities of the pre-Herzl Palestinophile Movement in Religion, Literature and Live’). De Haan is als dichter van Het Joodsche Lied niets meer, maar voorzeker ook niets minder dan een echte minnaar van het eeuwige Zion, ook al wordt zijn oorspronkelijke optreden als zodanig verduisterd door zijn latere evolutie. Het kan Joods gezien als betreurenswaardig worden beschouwd, dat zijn gedichten in het Nederlands zijn verschenen. Het is niet onduidelijk, dat zijn monumentale afscheidsrede (zie deze biografie pag. 210 v.v.) feitelijk het credo omlijst van een geheel aparte Chowew Zion. Schematisch komt de inhoud neer op: a) Het lot van het Joodse volk is herdenken, het herdenken nl. van de Joodse gevallenen tijdens de oorlogsjaren; hierbij sluiten zich - in tweede instantie - de Palestijnse sjomeriem aan. b) Dit herdenken dient gepaard te gaan met de wraak op de moordenaars. De oude idee der Aw Harachamiem van zijn eerste Joodse gedicht in De Beweging. Dat is de negatieve kant! En de positieve! c) Het dichterschap bij uitstek schept het door wijsbegeerte gelouterde, intuïtieve woord, dat hem drijft naar de eenheid, d) De nooit verbroken eenheid van woord en daad, van Gods woord en traditie, van traditie en land en van land en volk. Wij gaan - omdat we nooit weg zijn geweest. Wij krijgen terug - wat wij nooit hebben verloren. Oerkracht drijft ons. e) Die oerkracht brengt hem uiteindelijk naar de ‘Jisjoew Erets Jisroëil’ - de gewijde plicht van het wonen in, het bezetten van (hij - de eeuwige grammaticus, noemt de piël-vorm, die ‘sterk bezetten’ betekent) het heilige land. f) Oerkracht van het Jodendom = natuurkracht! Hij voelt het gaan naar Jeroesjalajim als een natuurlijk teruggaan naar zijn oorsprong. De Joodse hoofdstad vormt het moeder-motief in grote gedichten als Jeruzalem.
‘Eer ik U dan, Jeruzalem vergete,
Vergeet ik mijne Moeder en mijn Jeugd.’
‘Moeder; stad van mijn Land, laagt gij niet wakker,
Eeuwen lang in één blinde nacht?’
‘Moeder: zijt gij niet jong geweest En Gods gewijde bruid? ’
367