bazen als de redactie dan de juistheid van mijn argument niet erkennen zou.
Zij moeten ingrijpen als tengevolge van uw derde artikel en de daaraan toetevoegen aanvulling, de stemming ten gunste van de russische politieke gevangenen werkzaam is. Middelerwijl kunnen zij van uw eerste artikelen uitvoerig verslag geven en de belangstelling levend houden.
Zij kunnen dat in dit geval te eerder omdat uw stukken in De Beweging en niet in een half- of heel-liberaal tijdschrift verschenen zijn.
Dat ik mijn oordeel niet grond op het belang van De Beweging wordt ten overvloede duidelijk als ik wijs op het geval Berlage. Voor De Beweging was het schadelijk, dat Berlage na zijn terugkomst uit Amerika overal lezingen hield, voor hij zijn reisverhaal in De Beweging plaatste; maar het was goed voor zijn zaak: de moderne bouwkunst en daarom gebeurde het. Laat Het Volk eveneens doen: het dagblad in dienst stellen van deze zaak, ook al dient die zaak daardoor minder het dagblad. Ik geloof dat het de beste politiek zal zijn.
Hartelijke groetend de uwe Albert Verwey
Bijpag. iv
Dat hij ‘valschelijk’ opgaf ‘gereformeerd’ te zijn, werd hem in Joodse kringen zeer kwalijk genomen.
Vergelijk over de Russische reizen van De Haan: W. J. Simons, Mijn lied stikt in mijn hart als ’k aan U denk, Maatstaf, nov. 1959.
Bijpag. 142 v.v.
Een samenvattende studie over De Haans signifisch werk is thans het door ons in de tekst genoemde opstel van Prof. Mr. G. C. J. J. van den Bergh, Jacob Israël de Haan en de rechtstaal, Rechtsgeleerd Magazijn Themis, 1964, v, pag. 339-358, alwaar ook een bibliografie van Rechtskundige Significa. Zie ook Van den Bergh, Themis en de Muzen, De functie van de gebonden vormen in het recht, Haarlem 1964, pag. 145.
De recensie van L. E. J. Brouwer over De Haans dissertatie verscheen in Groot Nederland, 1916.
Veel heb ik te danken aan wijlen Prof. Dr. L. E. J. Brouwer te Blaricum, die mij enige malen ontving. Zijn indringende beschouwingen over De Haan (en over de relatie Van Eeden/De Haan; zeer speciaal in verband met Van Eedens Lied van schijn en wezen) waren voor mij van betekenis.
Ook aan Brouwer (‘Loeris’ - ‘Booze Bertus’) denkt Jacob Israël nog als hij
364