weest. Van Eeden ‘acteerde zo ostentatie!, dat een der aanwezigen (waarlijk niet de geringste) als zijn indruk weergaf, dat ‘het scheen alsof Freerk zelf promoveerde... ’
Bij pag. 130
Vergelijk voor De Haans vroege Engelse contacten:). Meijer, Jacob Israël de Haan en de kring van Oscar Wilde in Levende Talen, april 1957-
Bij pag. 132
‘Zijn portret in woorden’. Over zijn uiterlijk spraken wij met: J. C. Bloem, Dr. Mea Nijland-Verwey, I. Dasberg, arts te Amsterdam, (thans wijlen) M. J. Levie, en anderen.
In tegenstelling tot zijn vader wordt J. I. ons getekend als vrij klein (dat klopt met de lengte van 1.67), ‘Nog iets kleiner dan ik’ (Bloem). ‘Tamelijk gezet, met waterige ogen’ (M. J. Levie). Liep vreemd (‘als een kikker’ Dr. Mea Nijland-Verwey). ‘Had een rood baardje. Nam het hoofddeksel, dat hij altijd droeg, vreemd af’ (I. Dasberg). ‘Hij gaf opmerkelijk vreemde handdrukken’ (velen).
Mevrouw Dr. Mea Nijland-Verwey stelde mij - bij het ter perse gaan van dit boek - nog het volgende principiële schrijven ter hand van Albert Verwey aan J. I. de Haan, betrekking hebbende op De Haans Russische activiteiten en de poging daaraan meer publiciteit te geven, ook via de socialistische pers.
22 Oct.r ’i2
Waarde Heer de Haan,
Zooals ik u zooeven telegrafeerde, ben ik tegen de voorafgaande uitgave. De reden daarvan is niet dat ik schade ervan vrees voor De Beweging, maar ik voorzie er schade van voor uw zaak.
Uw artikel is geschreven zonder politieke voorkeur, met gevoel, maar zakelijk. Het gevolg zal zijn, en is nu al geweest, dat lezers uit verschillende kampen u bijvallen, dat er stemming gemaakt wordt naar verschillende richtingen. Als dat gebeurd is, begint de taak van de dagbladpers, maar naar mijn meening moet die buiten u omgaan. U moet, in het belang van de zaak, de oordeelkundige en van politieke bedoelingen niet te verdenken berichtgever zijn, op wien het publiek vertrouwt en op wien het zich in ieder milieu beroepen kan. De dagbladen daarentegen moeten, ieder in den kring van zijn lezers, uw mededeeling(en) overbrengen en zij willen dat doen voorzover zij het met hun staatkundige overtuiging kunnen vereenigen.
Het Volk zal het natuurlijk in ruime mate doen en ik zou mij zelfs zeer ver-
363