DICHTER JURIST WIJSGEER
Bij Albert Verwey en Frederik van Eeden
Belangrijke bronnen voor deze biografie vormen de brieven van Jacob Israël aan Albert Verwey en Frederik van Eeden. Van de brieven van deze letterkundigen aan De Haan is slechts een enkel exempel, vaak min of meer toevallig, bewaard gebleven.
De meeste brieven van De Haan - in één collectie aanwezig - werden door mij aangetroffen in de verzameling-Verwey, die - evenals de brieven aan Van Eeden - worden bewaard op de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. In dit speciale geval wil ik Mevrouw dr. Mea Nijland-Verwey te Santpoort dank zeggen voor het verlof deze correspondentie te mogen bewerken en voor haar stimulerende belangstelling. Ook enkele ongepubliceerde gedichten werden bij de brieven aan Verwey aangetroffen; dit was eveneens het geval bij die aan Van Eeden.
Voor De Haan was het contact met Verwey essentieel. Voor hem, die deze honderden brieven heeft doorgenomen, blijft er niettemin een gevoel van deernis over met de Joodse dichter, die alles wilde geven met terzijdestelling, ja verloochening van zich zelf, en die in dit contact eenzaam moest blijven, omdat het element vriendschap ontbrak.
In 1941 had ik het voorrecht met Mevrouw Kitty Verwey-Van Vloten in Noordwijk (Villa Nova) te mogen spreken over de verhouding van haar man tot Jacob Israël de Haan.
De school van Albert Verwey heeft De Haan gevormd. Ten huize van Victor E. van Vriesland heb ik deze Joodse letterkundige en de dichter J. C. Bloem over hun relatie tot Jacob Israël de Haan uitvoerig gesproken (20-6-1959).
Bijpag. 115
In het present-exemplaar van Het Joodsche Lied, dat hij Verwey zond, schreef hij als opdracht:
Aan Albert Verwey O, mijn Meester,
O, mijn Dichter.
Bij pag. 119 en 142
Over de promotie sprak ik met enkele personen, die daarbij aanwezig waren. Verwey kwam wel! Henri Borel zou de tweede paranymf zijn ge-
362