Bij pag. 97
‘Reminiscenties kropen bijna tastbaar langs zijn huid omhoog.’ Men vergelijke Jacob Israëls beschouwingen over de gebedsriemen:
‘Maar dat ik jong, mijn heiige Tefillien Voor het laatst afwond, toen voor altijd borg;
Mijn hart en mijn lied vermoordt nu de zorg Om vreugd, die wroegt, om rust, die ik verloor.
Nu wringt de wroeging zijn knellende riem Nacht en dag om mijn hoofd en om mijn hand,
Bij droom en daad voel ik de straffe striem Rood opgeloopen, die koortspijnend brandt.’
Bij pag. 99
Salomo ben Mose Halevi Alkabitz, 16e eeuws liturgisch dichter, behorende tot de kabbalistische kring van Safed. Werd beroemd door de Sabbat-hymne Lecha Dodi, die ook Heinrich Heine inspireerde, die overigens in zijn Prinzessin Sabbat die hymne abusievelijk toeschrijft aan Jehuda Halevi. Cf. over structuur en betekenis van Lecha Dodi, I. Elbogen: Der jüdische Gottes-dienst in seiner geschichtlichen Entwicklung, Frankfurt a. Main 19242, pag. 108.
Israël Nagara (1555-1628), geboren te Safed, leefde sedert 1579 in Damascus en werd nadien rabbijn te Gaza. Een Nederlandse vertaling van zijn in de tekst genoemde Vrijdagavond-lied in J. L. Palache, De Hebreeuwsche Literatuur, Amsterdam z.j., pag. 331.
Zie over hem ook M. Waxman, A History of Jewish Literature, New York/ London 1960,11, pag. 93 v.v.
361