als gezegd - enige jaren later. Hij wilde langzamerhand een Jood worden in de allervolste zin des woords. Het liefst had hij zich dadelijk bij de Miz-rachie aangesloten. Maar als gemengd gehuwd man was dat niet wel mo-gehjk.’
Jacob Israël hoorde gedurende zijn gehele leven ‘stemmen’. Hij schrijft er bij voortduring over aan Albert Verwey en Van Eeden. Zij zeggen hem zijn gedichten voor, zij dicteren hem zijn vaak gruwelijke verhalen.
In het geval van de hier bedoelde tekst uit Jesaja (44:22) - ‘Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost’, ligt een hallucinatie (hij gebruikt dit woord t.o. Verwey - pag. 110) voor de hand, omdat hier sprake is van een reminiscentie aan een overbekend stuk uit de Smeekbeden (Selichot). In de synagogen werd en wordt vooral op de Grote Verzoendag het liturgisch fragment, waarin dit vers voorkomt, door de gemeente en de gazzen op luide toon gereciteerd. Even later gevolgd door de zondenbelijdenis, de Widdoej, het prototype van al zijn Joodse liederen en van al zijn kwatrijnen.
Dat synagogale melodieën diepe indruk maakten op de muzikaal gevoelige kinderen van Rebbe De Haan blijkt uit Hedendaagsch Fetischisme, Amsterdam 1925, waar Carry schrijft (pag. 103):
‘Mijn jeugdherinneringen, de onuitputtelijke bron van mijn ontroeringen, zijn in synagogedeunen als geconserveerd’.
Het begin van Eva, Carry’s levensroman, schijnt geïnspireerd op geluiden als Kol Nidre, het rinkelen van de zilveren schelletjes van de siertorens op de wetsrollen en het lajenen, het melodieus voorlezen van het Thora-verhaal in Genesis, n.b. in het Hebreeuws geciteerd: ‘Wajehie ngeref, wajehie wouker, joum egod...’
Op vele plaatsen blijkt, dat Jacob Israël ook later door de hier bedoelde tekst wordt beheerst, bijv.
‘God sprak: “Leg dan heden al uw ellende,
Gelijk Mijn hemel al zijn wolken, af.
Ik, die u in uwe moederschoot kende,
Geleid u zeker naar uw graf.” ’
Hier herinnert de 3e regel aan Jeremia 1:5.
Eerder is met betrekking tot dit hallucinatieve (door Wolfgang Weisl, Der Kampf um das Heilige Land, Berlin 1925, Die Ermordung de Haans, pag. 196 v.v.) gewezen op het parallel met Strindberg. Vergelijk A. J. W. Kaas, August Strind-berg, een psychologische studie, Arnhem 1948, pag. 133 v.v.
360