(thans: wijlen) M. J. Levie uit Israël, d.d. 24-5-1962, waarin zulks wordt medegedeeld op gezag van Mr. Izak Prins, een van De Haans vertrouwde vrienden, thans in Jeruzalem woonachtig.
In De Verlatene stuiten wij op eigenaardige details. De broer Jozef had zijn naam aan de Lehrens te danken en kreeg via die familie een baantje. Wij ontmoeten een ‘oom Rubensohn’, van wie een van de jongens een Megille (perkamenten Esther-rol) ten geschenke had gekregen etc.
Over Heele Braadbaart vertellen apocriefe verhalen bijvoorbeeld, hoe deze eens op een ochtend mededeelde, dat hem per droom was bericht, dat hij zou sterven en derhalve orde op zaken moest stellen. Dit lijkt op verhalen uit De Verlatene. Vaak wordt door Carry zulk een legendarische achtergrond aangehaald om sociale minderwaardigheidscomplexen af te reageren en stelt de schrijfster (in Vier Jaargetijden), dat rijke kinderen ‘volstrekt niet te goed zijn om met de achterklein-dochter van Rebbe Heele Arjei te dansen...’ Elders (in Het huisje aan de sloot) heet het - nu met betrekking tot Jacob Israël ‘misschien is de juffrouw er toch achter gekomen en dat ze daarom van arme-jongens sprak toen ze haar broertje bedoelde, die toch een achterkleinzoon van Rebbe Heele Arjei is.’
Bijpag. 95
De Haans ‘openbaring’ (ons door meerderen bevestigd) wordt het duidelijkst beschreven door Jacob Israëls vriend Simon Tal c/o Bank Leumi Le-Israel B.M., Tel Aviv, in een uitvoerig schrijven aan ons, gedateerd: Tel Aviv, 5 oktober 1959. Wij citeren:
‘Tegenover ons later, - en vooral in een grote, aandoenlijke rede in “Our Chodosj” in februari 1917 - sprak hij niettemin met tamelijke afschuw over die (vroegere) tijd. Hij was zo in een poel van sexuele genoegens verzonken, dat hij - die in de vorige jaren zó veel uitnemende gedichten had geschreven - toen lange tijd geen vers meer uit de pen kon krijgen.
En dan kwam de kentering. Op een prachtige, zoele zomeravond in 1912 -zo vertelde hij in bovenvermelde rede - wandelde hij, doodongelukkig en wanhopig - alleen in het stille Vondelpark in een afgelegen laantje. En op eens hoorde hij ‘een Stem’, die duidelijk sprak: “Sjoewo eilaj kie ge-altiecho” (natuurlijk Holl.-asjkenazische uitspraak). En toen was het of een zware steen van hem afviel. Hij ging naar huis, zette zich aan zijn schrijftafel en schreef - voor het eerst weder na jaren - een goed gedicht. Hij beschouwde dit voorval als een duidelijke Openbaring van de Schepper aan hem, hij begon weer verschillende Mitswoth te vervullen, in de Synagoge te gaan enz. Weliswaar: met Sjabbath houden begon hij eerst -
359