Voor Jacob Israël de Haan sprak nog extra de traditie (zie Kimchi ter plaatse) als zouden de n anonieme psalmen van Psalm 91 af zijn geschreven door Mozes, die immers als auteur van Psalm 90 wordt genoemd. Van deze psalmen - bedoeld voor Israëls stammen - zou dan 91 bestemd zijn voor de stam Levi, waartoe de dichter behoorde. Vergelijk ook zijn sterke associatie tot Salomo Alkabitz de Leviet, wiens Sabbatlied hem vaak inspireerde.
Dat deze psalm tot in de twintigste eeuw tot het bijgeloof van de Joden sprak, bewezen brieven van Prof. Dr. B. de Vries (Israël) en de Heer H. Beem (Hilversum). De Vries schrijft: ‘Ik moest loten voor het (Nederlandse) leger met de vinger, waarop de gebedsriemen werden gelegd. Ik moest daarbij eerst Psalm 90:17 uitspreken “En de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat”, het laatste vers vóór de gevaarlijke psalm. Zulks, omdat er even later in Psalm 91:7 staat geschreven: “Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken”’ (vgl. de tekst van De Haan: ‘Pagad Balajloo in den Nacht niet naken).
Belangrijk is ook de invloed van het symbool van de schaduw in zijn gedichten. Bijv. Verzamelde Gedichten 11, 425 (3):
‘Een schaduw beweegt langs de rozenmuur Omdat een Man beweegt in het ravijn.
Bedenk in ’t bloeien van dit zonnig uur,
Dat wij misschien schaduw (van welke Mannen V) zijn.’
Literatuur hierover bij I. Maarsen, Een vreemde schaduw, in De Vrijdagavond 1,11, pag. 55. Het daar aangehaalde standaardwerk van M. Güdemann, Geschichte des Erziehungswesen und der Cultur der AbendlandischenJuden, Wien 1880, Amsterdam, 19662,1. pag. 205 env. geeft ook over demonologie opmerkelijk materiaal.
Dat men ter bestrijding van demonen gebruik maakte van amuletten, was tot in onze jeugd heel gewoon. De Vries schrijft: ‘Ik zelf heb als kind vóór ik een klein bidkleed (talit katan) kreeg, een “heitje” (amulet met 5e letter van het alfabet = Gods naam) gedragen.’ Vgl. Jüdisches Lexikon, Berlin 1927,1, pag. 295-298, s.v. Amulette, waar ook afbeeldingen.
Bij pag. 90-91
Voor de gebroeders (Hirschel, Meijer en Akiba) Lehren en hun Joods mystieke levenspatroon verwijzen wij naar J. Meijer, Erfenis der Emancipatie, Het NederlandscheJodendom in de eerste helft van de 19e eeuw, Haarlem 1963, pag. 21 v.v.. Dat Jacob Israël zich deze ‘verwantschap’ tot het laatst van zijn leven bewust bleef, bewijst o.m. een zich in ons bezit bevindend schrijven van
358