De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



‘In de ruw-houten kist kreeg ze onder het hoofd het zakje met Heilige Aarde. Totdat de bazuin van den Messias haar zou oproepen uit het graf -zooals geschreven staat: ‘En Hij wekt de dooden op’ - zou dat haar een durende aanraking met het Gewijde Land zijn.’

Een van Jacob Israëls vroegere vrienden schonk mij uit diens oorspronkelijk bezit een Hebreeuwse editie van Psalm 119 (Seder Temanja Apej) ‘om te zeggen na het lernen, ter herinnering aan de zielen van afgestorvenen’, Amsterdam 1883. Aan het slot het ‘gebed voor den zielenrust’. Het curieuze boekje is gebonden in een als schutblad gebruikte reclamefolder uit 1889 van de firma B. S. Rubens en Buckskins en gros. Gevestigd sedert 1738.

In de periode na zijn moeders dood ontmoet Jacob Israël herhaaldelijk de sjeidem, zoals de ‘demonische Edomiet’, waarover hij Van Eeden schrijft. Hij staat dan aan de vooravond van zijn definitieve tesjoewa. Van al deze demonen boeien hem de Ketowem (pluralis van Ketew (K.T.B.)) het meest. Hijzelf spelt foutief Ketef.

Literatuur brengt het samenvattende artikel van A. Löwinger: Der Windgeist Keteb in Jahrbuchfür Jüdische Volkskunde, Berlin/Wien 1925, pag. 157—170. Het geloof in deze duivel(s) gaat terug op bijbelse teksten als Deuteronomium 32:24 (‘Ketef Merierie’ = statenvertaling: ‘bitter verderf’) en Psalm 91:6 (‘Ketef-Jochoed-Tsohorrojiem’ = ‘het verderf dat op den middag verwoest). De beschrijving van de functies van deze demonen en hun uiterlijk (‘één, die in het versche brood zijn schaamtelooze boosheid houdt verborgen’ - ‘één, in ’t schoonste zomeruur, een ossenhoren is zijn gestalte’ etc.) is gebaseerd op oorspronkelijke Joodse voorstellingen. Ook de functie van de Ketew als dwarrelende wind is authentiek. Zie Löwinger, pag. 170. Vergelijk verder nog J. Levy, Wórterbuch über die Talmudim und MidTOsehim, Berlin/Wien 1924, iv, pag. 278, s.v. Ketew. De bekoorlijke ‘Pagad Balajloo’ is eveneens letterlijk ontleend aan Psalm 91:5 (statenvertaling: ‘schrik des nachts’). Deze psalm wordt nog altijd in het gebed-voor-het-slapen-gaan uitgesproken.

Een duidelijke herinnering aan dit nachtgebed vormt o.m. ook het volgende kwatrijn (Verzamelde Gedichten n, 446 (3), dat uit dit Nachtlajenen een letterlij k citaat is (cf. Hooglied 3:7):

‘Zestig helden rondom de stede Van Salomo stelden hun wacht.

Ik leg lijdzaam mijn moede leden,

En wat hij doen wil, doet de Nacht.’

Dat de bijgelovige Betje Rubens op het punt van nacht en duisternis hypergevoelig was, blijkt op vele plaatsen. Het eerder geciteerde Vreemde Nacht

356

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.