Over demonologie: Encyclopaedia Judaica, vi, Berlin 1930, s.v. Engel (626-647), alwaar ook literatuuropgave. Vooral onder invloed van de mystieke kringen te Safed in de 16e eeuw (Izak Luria) drongen kabbalistische elementen de Joodse liturgie en de Joodse levensstijl binnen. Eerst ±1800 werden door de edities van het gebedenboek, verzorgd door Wolf Heiden-heim (‘der Mendelssohn des Machsor’ = gebedenboek voor feestdagen) deze elementen goeddeels geëlimineerd. Vergelijk o.m. A. Berliner, Rand-bemerkungen zum taglichen Gebetbuche (Siddur), Berlin 1909.
Betje Rubens was nog in de oude sfeer grootgebracht en maakte daarvan tegenover haar kinderen geen geheim.
Op Jacob Israël (en Carry van Bruggen) maakten de resten van deze ‘niegesj’ diepe indruk. Carry’s dochter Mop van Bruggen (gestorven 21 januari 1965; cf. Algemeen Handelsblad 12 februari 1965) vertelde mij hoezeer haar moeder gedurig door een schier pathologische angst werd verteerd bij de geringste afwezigheid van haar kinderen. Wat al ‘boze invloeden’ (denk o.m. aan ‘het boze oog’) konden hier geen rol ten kwade spelen. Vergelijk ook Vreemde Nacht (= nacht nl. na de seider) in Carry’s eerste - en mede daarom - haar zuiverste, ‘Joodse’ boek In de schaduw, Amsterdam 1907, pag. 164 v.v..
Jacob Israël wordt reeds vroeg door de oud-Joodse demonologie beheerst. Vergelijk voor de ‘sjeidem’ H. Beem, Jerosche - Jiddische spreekwoorden en zegswijzen uit het Nederlandse Taalgebied, Assen 1959, pag. 34, waar geconstateerd wordt, dat het woord ‘sjed’ in de Nederlandse volkstaal (Van Dale) is overgegaan.
Bij dood en duisternis treden de duivelen bij voorkeur naar voren. Speciaal de dood van zijn moeder ‘om middernacht’ - zoals Jacob Israël uitdrukkelijk op de zerk heeft laten vastleggen - wekte extra spanningen in zijn psyche. De jaardag van haar sterven (‘jaartijd’) bleef hem een gedurige bron van bijgelovige ontroeringen. Jacob Israël en Carry waren toch al gegrepen door de herinnering aan de afgestorven zielen. Carry spreekt in Het huisje aan de sloot 1921, pag. 122 van ‘giebette keewe’. Bedoeld is: chibboet hakewer, de tuchtigingen, die engelen op gestorvenen kunnen toepassen na de dood. ‘Mazkier nesjomme’ zijn (Carry spreekt later van ‘maskar’) - de ziel door een ‘Jizkor’ herdenken - komt in haar boeken herhaaldelijk voor (Vgl. Avontuurtjes, Amsterdam 1922, pag. 125).
In De Verlatene wordt de dood van haar moeder, die blijkbaar plotseling is gestorven, want zonder doodsgebed (‘sjeimes’ - Carry spelt ‘sjeimets’; nagenoeg al haar Joodse herinneringen leggen getuigenis af van gebrek aan Joodse kennis) beschreven.
355