bepaald niet ongewoon met Joodse jongens een misjnatractaat als Rosj Hasjana, waarin wordt gesproken over de vraagstukken van de nieuwe maan etc., te lernen.
Essentiëel lijkt ons, dat het eerste Joodse motief, dat Jacob Israël dichterlijk (en volgens Albert Verwey niet zonder succes) beweegt, te maken heeft met de verwoesting van Jeruzalem. Zoals later bij herhaling in deze bio-grabe zal blijken, was de band met de oude stad - door de Romeinen verwoest - wezenlijk voor zijn gevoelspatroon. Als hij in 1919 te Rome aankomt, bezoekt hij de Triumfboog van Titus (zie pag. 231) en beschrijft hij de hier behandelde legende. Daar ook vermeldt hij, dat ‘wij, toen wij kleine Joodsche jongens waren’ elkander uitscholden met de naam Titus. Een herinnering blijkbaar aan een in zijn huis nog levende traditie rond ‘Titoes harasja’, de ‘roosje Tites’, die onze tempel had verwoest.
Opvallend is ook, dat zijn eerste Joodse liederen in De Beweging van november 1910 (in datzelfde jaar publiceert hij vrij veel gedichten als Groote Verzoendag, Loojhuttenfeest etc. in De Gids) beginnen met Negen Ab (als eerste van ‘Heilige Dagen’). Daarin komt de verwoesting van Jeruzalem uiteraard aan de orde. De vastendag van de Negende Ab immers, herinnert daaraan. ‘Geteekende Dag, toen Titus de klem Van zijn legioenen stikkende sloot Rond de teere keel van Jeruzalem...’
Zo reëel leeft deze oude historie nog in zijn puur-romantisch bewustzijn, dat hij later kan dichten:
‘Twee duizend jaren,
Het is mij heden
Of het Romeinsche rot mij zelf verdreef’
Hierbij dient ook vermeld de opvallende plaats, die de Klaagmuur (de Kotel Ma’arawie, de Kousel Mangarowie) in zijn gevoelsleven innam:
‘Mijn lippen kussen en mijn handen streelen De steenen eeuwen van den Tempelmuur.’
Dat het klassieke ideaal om in Palestina te worden begraven, in zijn gedichten adaequate formuleringen vindt, blijkt tot in zijn laatste kwatrijnen: ‘Wie te Jeruzalem sterft, vindt zijn stede Waar de Olijfberg diep helt naar ’t lage dal.’
Bij pag. 89-95
Over Joods bijgeloof in het algemeen: L. Blau, Das altjüdische Zauberwesen (heruitgave bij Louis Lamm), Berlin 1914.
354