uit te putten in dezelfde tijd als Carry; ± 1907) van meet af aan een volstrekt affectloos karakter dragen, dat - zulks in tegenstelling tot Carry - terstond de mogelijkheden tot Joods geïnspireerde kunst verraadt.
Het contact tussen broer en zuster is sedert ± 1900 uiterst problematisch geweest. Jacob Israël zou van Carry bij zijn vertrek naar Palestina geen afscheid hebben willen nemen, omdat ‘jij je kinderen niet Joods opvoedt’ (mededeling van wijlen de dochter van Carry).
Bijpa^. 37
Een portret van Izak de Haan uit zijn nadagen werd gepubliceerd in Mies de Haan, Jacob Israël de Haan, mijn broer, Amsterdam 1954. Hij wordt ons geschilderd als een lange, schrale, cynische, enigszins schele Joodse man.
Bijpas- 37
‘Onder legenden bedolven...’ In Israël wist men mij in 1960 nog te vertellen, dat de vader en de zoon op 1 dag gestorven zouden zijn, waardoor er achter elkander twee treurweken moesten worden gehouden (twee sjiwwe-weken).
De waarheid is, dat Jacob Israël op 30 juni 1924 werd vermoord, dus precies 2 maanden na de dood van zijn vader. Dat Jacob Israël en Carry tweelingen zouden zijn geweest, is en wordt vaker geponeerd.
349