gen in zijn gecompliceerde gemoedsleven, had hij - Van Vriesland - nooit getwijfeld.
Een onwezenlijke, vreemde stem onderbrak zijn gemijmer: ‘Siegfried, mijn vader zei altijd, dat de ene Jehoede de andere niet vermoorden kan. Wat denk jij daarvan?’
Van Vriesland schrok op. In één enkele seconde flitste de evolutie van de Zionistische idee nogmaals door zijn geest. Uit de laat-negentiende eeuwse gedachten van Theodor Herzl was een nationalisme geëvolueerd, dat ook hij nauwelijks kon bijbenen. De ongelukkige tegenover hem was als Ba’al Tesjoewa van het fin de siècle verdwaald tussen de sterke, linkse bouwers aan een nieuwe toekomst van het Oude Volk. Hij stond op en nam afscheid.
323