Van Vriesland, ruim vier jaar jonger, begreep meer van hem dan wie ook. Hij herinnerde zich de avonden, dat de dichter van HetJoodsche Lied zijn liederen had voorgelezen in de N.Z.S.O. Jacob Israël de Haan bleef voor hem een begrip. Ook hij kende zijn voorgeschiedenis, maar hij doorzag daarnaast de heroïsche levensgang van die gespleten gazzenszoon uit Zaandam, die eigenlijk zo’n doodgoeie kerel was. Een man met brains, die zich na een armoedige jeugd door een moeilijke Kweekschooltijd te Haarlem (waar hij, Siegfried, geboren was) had heengevochten naar een doctoraat in de Rechten. Een dichter van formaat, een Joods dichter bovendien, die op eigen kracht origineel en grandioos de weg had gevonden naar zijn Volk en zijn Land. Natuurlijk, hij was fout geweest en nóg fout. Maar wat deed dat ertoe 1 Exceptionele bouwstoffen hadden nu eenmaal een man gevormd, die niet met normale maatstaven te meten was. Wat was een verrader! Wat een moedige held! En als dat nog (signifisch!) iets voorstelde, wat had dat dan te maken met die gederailleerde negentiende-eeuwer, die daar tegenover hem zat, omdat hij door een gril van het lot naar Jeruzalem was ‘gedreven’. Een gefnuikte dromer, die niet paste in een tijdsgewricht, dat van het Zionisme van Herzl iets totaal anders had gemaakt dan ook hij voor mogelijk had gehouden. In 1914 lagen gymnasiumtijd (in Amsterdam en Den Haag) en studiejaren (te Leiden) al achter hem. Hij was daarna een paar jaar in Engeland geweest voor een stage. Mooie, rijke, onbezorgde jeugd van een intelligente jongen uit het Joodse burgermilieu van liberale zakenlieden en hun maatschappelijke zekerheden.
Hij had De Haan leren kennen door diens eerste Joodse gedichten in De Beweging. Later hadden zij samengewerkt bij de moeilijke propaganda van het Zionisme in West-Nederland en in de Mediene. In de Inhoud van het Vijfde Zionistisch Studentenjaarboek stonden ze onder elkander: ‘Joodsche Humor (Rede door S. A. van Vriesland) 112; Jeruzalem (door Jacob Israël de Haan) 134’. Nu zaten ze - in Jeruzalem - tegenover elkander.
De zin voor humor was bij Jacob Israël de Haan al lang verstikt door zijn achterdocht. Wat door Van Vriesland heenspeelde zou eens door J. C. Bloem worden geformuleerd: ‘Een zonderling, van wien men alles kon velen, als men zijn gevoel voor humor deelde; bovenal een hart van goud, dat - weinig eigenschappen lijken mij zóó hoog in een mensch aan te slaan - geen oogenblik dupe van de menschen was en ze toch altijd met zijn gedesabuseerde goedheid tegemoet trad.’
321