had slechts tegen een cautie van £ ioo te vertrekken. Dat geschiedde op Zondagmorgen toen de banken gesloten waren en hunne tegenstanders hoopten, dat het hun op den Zondag niet zou gelukken de vereischte som bijeen te krijgen. Zij zouden dan genoodzaakt zijn, om óf ongeoorloofd brood te eten óf honger te lijden. Ik smaakte het eigenaardig genoegen in gezelschap van Mr. Israël de Haan dit akute stadium der Jodenruzie mee te maken en ik moet erkennen, dat de vijandschap hevig is. Of de Agoeda zich altijd behoorlijk gedraagt, kan ik niet beoordeelen, maar wel weet ik dat deze kleine groep het zwaar te verantwoorden heeft. Toen ik met den heer de Haan door Jeruzalems straten liep en zag hoe de ons tegenkomende Joden op den grond spuwden, als ze den heer de Haan in het oog kregen, zei ik: dat doen ze niet uit respekt voor U! waarop de heer de Haan antwoordde: neen, dat doen ze uit respekt voor U, want als ik alleen ben, spuwen ze in mijn gezicht! En ik herinner mij, hoe dat in het gezicht spuwen 2000 jaar geleden reeds een uiting van verachting was (Matth. 26 : 67). En toen ik hem bij het afscheid nemen vroeg, of we elkaar misschien spoedig in Holland zouden terugzien, schudde hij het hoofd en zei: ik zal wel in Jeruzalem sterven, wie weet hoe spoedig!
Het was dit boek, waarvan de recensie door Jacob Israël de Haan nog op zaterdag 5 juli 1924 (dus na zijn dood) in De Amsterdammer werd gepubliceerd, als laatste onderdeel van een serie Schrijvers en Schrifturen.
Eigenaardig het slot: ‘Er zijn twee woorden in het boek, die een onaange-namen gevoelstoon hebben. Jodenkolonie waar bedoeld is ‘Joodsche kolonie’ en Jodenruzie waar bedoeld is ‘ruzie onder Joden.’Natuurlijk bedoelt de schrijver het niet kwaad. Ik ook niet.
Enkele drukfouten zijn blijven staan, waarvan er ééne een goed figuur zou maken in de verzameling van Prof. Freud.
Laten alle lezers van dit blad het boek van Prof. Obbink koopen en die fout zoeken.’
Dat is toch nog helemaal de Jacob Israël van vroeger. Apologetisch op het stuk van de matzeheibel, pittig in zijn reactie op de hooggeleerde bezoeker en tot het slot speels en geestig.
Maar dat alles mocht in Nederland nóg zo schijnen, zijn Palestijnse werkelijkheid was schrijnend. Hij verlangde naar de dood - maar naar een andere dan was voorbereid. Zoals hij verlangde naar een andere rustplaats, dichtbij Moeder en Vader, aan de Westzaandijk, vanwaar je op heldere dagen in de verte het Guispad kon zien:
3i9