De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



Op die 26ste juni, de dag van zijn laatste brief aan Kann, was reeds over zijn lot beschikt. Een veemgericht had het vonnis geveld. De keuze was aanvankelijk gevallen op twee chaloetsiem, die de daad niet aandurfden. Toen namen Awraham Krizewski (in 1943 te Tel Aviv gestorven) enAwrahamX. (thans woonachtig in de U.S.A.) de uitvoering van deze eerste nationaal-Joodse politieke moord vrijwillig op zich.

Er was in Joodse kringen eerder tot zo’n liquidatie aangespoord. En zelfs openlijk. De Haan bleef daarvan uiteraard niet onkundig. Maar hij ging door met een rechtlijnigheid, die aan het ongelooflijke grensde. Vereenzaamd, verstard, verloren. Rond wandelende in zijn gedichten, die hij uren achter elkander uit het hoofd kon citeren. Een schimmige zonderling, die met zijn onafscheidelijke actetas stijf onder de rechterarm nog maar weinig op straat kwam, waar de kinderen hem nariepen: ‘Kukeleku,Kukeleku,’ Hij was weer ‘Haantje’ als eenmaal op de Haarlemse Kweekschool. In zijn gevoelige oren weerklonken kinderklanken van heel ver: ‘Meester de Haan gaat nooit verloren... ’

Soms spuwden ouderen hem in het gezicht, chaloetsiem - Palestina-pio-niers - landbouwers, over wie hij eenmaal poëtische regels had geschreven van zuivere schoonheid.

Professor Obbink geeft in zijn Op Bijbelschen Bodem een levendige indruk van Jacob Israëls optreden in de Joodse hoofdstad:

Juist in den tijd dat wij te Jeruzalem waren, maakte de Waad van zijn recht gebruik, door belasting te leggen op de matses (het paaschbrood), een belasting dus, die alleen de orthodoxe Joden trof, omdat de niet-orthodoxen Joden zich niet houden aan het eten van matses. Op zichzelf dus reeds een uiterst hatelijke belasting op het vervullen der godsdienstplichten, was ze te hatelijker, omdat alle leden der Agoeda tot de orthodoxe groep behooren en deze arme kleine groep dus een onevenredig groot deel dezer door hunne tegenstanders ingevoerde belasting moest opbrengen. Bovendien werd de wet uitgevaardigd in den paaschtijd van 1923, zoodat de Agoeda geen tijd had om tegenmaatregelen te nemen. De Agoeda gaf te kennen dat ze bereid was de belasting te betalen, mits zij die zelf mocht heffen. Het ging hun niet om het geld, maar om hunne erkenning als zelfstandige Joodsche groep. Door deze vorm van belasting waren ze behandeld als onderdeel der politieke Zionisten, wat ze in geen geval wilden zijn. Sir Herbert Samuel weigerde. De Agoeda kocht nu inderhaast een eigen bakkerij, waarin matses werden gebakken, maar door toedoen hunner tegenstanders werd deze bakkerij gesteld onder toezicht van een regeeringsambtenaar, die order

318

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.