Jeruzalem, 24-6-24
Zeer Hooggeachte Heer Kann, u moet niet denken, dat ik uw pogingen niet ten zeerste waardeer en dat ik u niet zeer dankbaar ben. Maar men moet toch duidelijk zijn. Ik heb persoonlijk met niemand eenige kwestie. De moeilijkheid is ontstaan door de Zionistische politiek van één Joodsche dwang-gemeente. Ik heb natuurlijk evenveel recht daartegen te zijn, als anderen recht hebben ervoor te zijn. Te onzaliger ure hebben een aantal extreme Zionisten, gesteund door de Zionistische Commissie de Rechtsschool daarin gehaald. Het is nu tot dusver niet gelukt mij uit te hongeren en te breken. Men zou nu wel gaarne willen, dat ik niets deed en de kwestie van de school verder lopen liet.
Wij willen allen leven in vrede en vriendschap met iedereen. Ik volg uw gedachtengang volkomen. Ik heb eerbied voor uw goedheid, uw wijsheid en uw inzicht en ik wenschte, dat wij meer zulke mannen op belangrijke posten hadden.
Gaarne uw dwg. en eerbiedig toegenegen Jacob Israël de Haan.
NEDERLANDSCHE CONSULAAT JERUZALEM, 24 Juni 1924
Den Heer Mr. J. I. de Haan,
Alhier
Waarde Heer de Haan,
Wij komen zoo niet verder. Ik zou van U een antwoord willen hebben of U bereid zijt om de vijandelijkheden te staken, geheel in den omvang zooals ik in mijn brief van 18 dezer heb aangegeven. Enkel wanneer Uw antwoord bevestigend is, ben ik bereid om mijn poging te ondernemen. Mocht Uw antwoord ontkennend luiden, dan zou zooals ik U bereids schreef, mijn pogen doelloos zijn.
Wil mijn aandringen verontschuldigen, en mij gelooven
met vriendelijke groeten, Uw J. H. Kann
Jeruzalem 26-6-’24
Zeer Geachte Heer Kann, er is geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt, mij zóó in mijn vrijheid te laten beperken. Voor wienl Voor wat? Ik ben U ten zeerste dankbaar voor uwe bemoeiingen, maar op die wijze gaat het niet. Gaarne de uwe
Jacob Israël de Haan.
3i7