Ik wil gaarne in vrede en vriendschap leven met iedereen, en als u een oprechte vrede en oprechte vriendschap kunt bevorderen tusschen de Zionisten en mij-zelve, zal ik u gaarne dankbaar zijn.
Met beste groeten, ook aan uwe Vrouw en de huisgenoten, gaarne uw dienstwillige en toegenegen,
Jacob Israël de Haan
Consulat Royal Jerusalem, 22 Juni 1924
Des
Pays-Bas
Den Heer Mr. J. I. de Haan,
Alhier
Hooggeachte Heer de Haan,
U zoudt het recht hebben om te spreken van het verkoopen van Uw vrijheid, indien ik U inderdaad een transactie had voorgesteld. Ik heb U echter niets toegezegd dat als zoodanig mag worden opgevat. Ik mis daartoe trouwens de macht.
Mijn brief van 18 dezer komt hierop neer, dat men van weerszijden de vijandelijkheden zou moeten staken.
U hebt daarom ook niet het recht te zeggen, dat de Zionistische Organisatie het lectoraat aan de Regeerings-rechtsschool als een chantage-middel gebruikt.
Het gaat hier enkel om een poging, die ik zou willen doen om Uw gaven wederom daar te brengen, waar U daarmee vruchtbaar werk doet, in plaats van ze in een strijd tegen Uw eigen menschen te verspillen. Het spreekt vanzelf, dat zulk een poging meer kans van slagen heeft, wanneer men in vrede tegenover elkander staat, dan wanneer door voortgezetten strijd een verbitterde stemming blijft heerschen. Het verheugt mij uit Uw schrijven te zien, dat door U tenslotte toch ook vrede en vriendschap met de Zionisten wordt gewenscht. Mag ik er daarom nog eens op aandringen dat U den inhoud van mijn brief van 18 dezer overweegt in den geest van mijn vorenstaande opmerkingen, en dat U mij daarna laat weten of U mijn gedachtengang kunt volgen, en met de conclusies waartoe ik gekomen ben, kunt instemmen ?
Met vriendelijke groeten,
UwJ. H.Kann
316