Met dit conflict aan de Rechtsschool, zo voelde hij instinctief, had de finale van zijn Palestijnse jaren definitief ingezet. Zijn correspondentie met de Nederlandse consul-generaal uit de maand juni van het jaar 1924 komt dit nog indringender bevestigen:
NEDERLANDSCH CONSULAAT JERUZALEM, 18 Juni 1924
Vertrouwelijk.
Den Heer Mr. J. I. de Haan,
Alhier.
Waarde Heer de Haan,
Ik heb nog eens over ons onderhoud van gisteren nagedacht. Ik heb gaarne genoteerd, dat U bereid zijt om verder geen Zionistisch-vijandige berichten aan de pers te doen toekomen.
Begrijp ik het goed dat U dan ook Uw aanvallen op de Zionistische Organisatie en haar politiek zult staken en dus ook niet zult trachten bezoekers van Palestina tegen het Zionisme in te nemen I En dat U dus ook de anti-Zionistische propaganda, die van Arabische kant gevoerd wordt, niet verder zult steunen I
En tenslotte, dat U geenerlei politiek zult voeren in de rechtsschool, voor het geval dat U in het aanstaande najaar daar weer mocht worden herbenoemd!
Het spreekt vanzelf, dat hiertegenover van Zionistische kant Uw persoon voortaan buiten het geding moet gehouden worden.
Wilt U mij met een enkel woord laten weten, of U met het vorenstaande accoord gaat.
Met vriendelijke groeten, Uw dw. J. H. Kann
Jeruzalem, 20-6-1924
Zeer Hooggeachte Heer!
Mijn dank voor uw vriendelijken brief en uwe goede bedoelingen. Als publicist heb ik het recht en de plicht objectief te zijn. Ik ben niet bereid mijn vrijheid te verkopen voor een lectoraat aan de rechtsschool, en ik vind het schandelijk, dat de Zionistische Organisatie het lectoraat aan de Regee-ringsrechtsschool als een chantage-middel gebruikt. De Zionistische Uni-versiteit belooft een model te worden van objectiviteit en leervrijheid!
Ik heb in de rechtsschool nooit politiek gevoerd.
315