optreden als erkend vertegenwoordiger van Joden - en wel (accent apart in zijn persoonlijk leven!) van de Joden van Amsterdam; schakel in de ‘Jichoes’ van de gebroeders Lehren.
Hij was weer thuis. In zekere zin ook geestelijk. Want de pre-Zionistische Chibat Zion verdroeg zich beter met de mystieke bronnen van zijn dichterschap dan het zakelijke, politieke Zionisme van Bernstein en De Lieme. Maar de Joden van dit specifieke Palestijnse milieu vormden wel kwalijk een afzetgebied voor nieuwe Liederen over het al te oude Jeruzalem. De zangen van heimwee uit 1910 en later waren voorgoed historie geworden, curieuze tijdsprodukten van een al te persoonlijke levensgang. Ten over-mate nog geschreven in een Nederlands waaruit zij nooit konden worden overgeheveld naar het Hebreeuws. Anno 1914 konden Joodse studenten in Leiden en Hilversum daardoor worden ontroerd. Dat was verleden! Een nieuwe Jacob Israël was opgestaan, die in Jeruzalem kritische beschouwingen schreef en kwatrijnen, die als de gedichten van zijn Joodse bundels vaak waren opgedragen aan vrienden: Nederlanders als Frederik van Eeden, Mannoury, L. E. J. Brouwer en Henriëtte Roll; Engelsen als generaal Storr en kolonel Patterson; bouwers van het Hebreeuws als Bialik en Ben Jehoe-da en zelfs aan de goede Reb Chaim Sonnenfeld:
Hij was een knaap. Is hij nimmer bezweken 1 Hij werd een Man. Heeft hij altijd weerstaan!
Straks dwaal ik met Adil weer door de streken,
Van licht en schaduw in de volle Maan.
Dat stond er en liet niets over aan verbeelding of vermoeden. Schaamteloos of misschien wel naïef! Hij was niet anders, nooit anders geweest. Over hoeveel ravijnen was hij heengesprongen, voordat hij de minister der extreme Jeruzalemse Rabbijnen werd! Hij stond (als steeds) voor niets!
De grote Opperrabbijn Awraham Isaak Koek (Raw Koek 1865-1935), een Tal-moedgeleerde van ongewoon formaat werd door hem - nota bene zelfs ter zake van diens persoonlijke Joodse leven - verdacht gemaakt. Hij - Jacob Israël de Haan - bedreigde hem met de rabbinale ban. In het politieke vlak sleurde hij Chaïm Weizmann door het slijk - zoals hij later zelfs Theodor Herzls nagedachtenis durfde aan te tasten in kwatrijnen als:
Uw dagboek vol klein en ijdel verrichten.
Mijne kwatrijnen, waardoor ’t leven drijft.
Wat zich niet de schoonheid vindt van gedichten Is niet de moeite waard, dat men het schrijft.
273