Amsterdam is Jeruzalem niet. Maar Amsterdam is wel eene stad, die te Jeruzalem in groot aanzien staat. Vroeger nog meer, toen de Zionisten hier minder werkten. Maar toch nog wel. Er zijn nog verscheidene vrome scholen, waar ge aan den ingang lezen kunt, dat ze onder leiding staan van Pekiediem en Amarcaliem te Amsterdam. Ook het Schaare Tsedek-hospi-taal is min of meer onder administratie van de Pekiediem. En de woningen voor de armen en pelgrims op den Zionsberg, die wij vroeger de Duitsche Plaats noemden. Maar tegenwoordig zeggen wij héél voorzichtig: Bathé Machsé, dat is: Toevluchts-huizen. O, Amsterdam heeft hier nog altijd een goeden naam. Een heel mooie maneschijn heet volgens onze Jeruzalem-sche vrienden een: ‘Amsterdammer lewone’. De administratie van Pekiediem had de reputatie: duidelijk en nauwkeurig: ‘Zoo klaar als een Amsterdammer Zettelchen’ zegt men hier.
Wat Pekiediem zijn, weet iedereen. Het zijn ambtenaren. Die stam P.K.D. heeft in zijne verschillende vervoegingen tallooze beteekenissen. Wij leerden aan dien vreeselijken stam alle tijden, wijzen, personen, getallen en geslachten van de werkwoorden. Tegenwoordig gebruikt men, geloof ik, den stam K.T.L. Och, ’t is lood om oud ijzer.
Amarcaliem zijn ook Pekiediem. Een Arameesch woord, dat meermalen in de Vertaling van Onkelos voorkomt. Een mooie plaats Numeri m : 32. In de Mischna komt het woord eenmaal voor. En wel in Shekaliem v : 2, waar de heilige tempelambten worden genoemd. Bar Tenoerah verklaart ’t woord: ‘Zij, die over alles te zeggen hebben’. Hij vergelijkt het Arabische Emir.
De Pekiediem en Amarcaliem zijn de oudste organisatie in de diaspora ten gunste van de Joden in het Heilige Land. Ze werd in 1809 opgericht door drie notabele Amsterdammers: Goedeinde, Prins en Lehren. Hunne administratie is altijd keurig bijgehouden, en in het archief te Amsterdam moet zich wel veel merkwaardigs bevinden. Een mooi proefschrift.
In het allerlaatste stadium van zijn leven zou hij (na de Rabbijn J. B. Horo-vicz) zelfs als hun officiële vertegenwoordiger optreden. En hij deed dat niet slecht! De Pekidim en Amarcalim hebben de vermoorde dichter (in Het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 4 juli 1924) dan ook in bescherming genomen tegen de wilde verhalen, die na zijn gewelddadige dood al spoedig de ronde deden. De niet eens geringe arbeid, die hij in deze functie verrichtte (administratie van gesubsidieerde scholen en het Schaare Tsedek-hospitaal; bezoek aan armen en zieken) gaf hem de genoegdoening, die de Zionistische organisatie hem consequent onthield: hij kon naar buiten
272