tische politiek stoot de Agoedas af. Onze leiders zijn veel te bang, dat zij een deel van hun macht moeten afstaan. Leest U eens in de Jewish Chronicle van 15 Aug. het interview van DizengofF en vooral het artikel over het budget van N. J. Laski op bldz. 19. Wat hier ontbreekt is toewijding. En bij onze leiders vertrouwen op de massa. Wij worden niet vertrouwd. Van de week kwam ik doodtoevallig achter het salaris van Pool. Dit werd als een soort nationale ramp beschouwd. En wat was Pool in Amerika! Wij weten toch in Nederland het salaris van alle staatsambtenaren en van veel particulieren ook. Ik kan alleen niet veel doen. Ik hoop, dat spoedig meer van onze vrienden komen.
De gefrustreerde politicus staat al ver van zijn vroegere vrienden. Hij kan zich niet doorzetten - dat is het ‘springende’ punt, dat helemaal aan het slot van een uitvoerig post-scriptum onverholen te voorschijn treedt: ‘Ik heb er over (het gaat om een of andere technische aangelegenheid) met de Zionistische Commissie gesproken. Maar het was weer het gewone praatje, als ik iets wil, dat dezen Heeren niet aanstaat: wie vertegenwoordigt UI!’
Inderdaad - toen nog niemand! Maar de koninklijke dichter zal zijn koninkrijk vinden, de reeds eerder genoemde orthodoxe groep van R. Chaïm Sonnenfeld.
Na welke frontverandering Jacob Israël zich bevindt midden in de ‘oude Jisjoew’ (de vóór-Zionistische bevolking van Palestina), waarvan de kern bestond uit zogenaamde Chaloeka-Joden. Families, die zich sedert eeuwen in het Heilige Land hadden gevestigd, om daar hun Joods-nationale ge-voels- en dadenleven te kunnen waarmaken op de eigen bodem. Was niet van alle 613 mitswot die van de ‘Jisjoew Erets Jisroëil’ (vestiging in het land van Israël) een der voornaamste? Bij zijn afscheid had hij daaraan behar-tenswaardige woorden gewijd!
Georganiseerd waren zij van ouds in Koleliem (Verbanden), en wel naar de landen van herkomst. Iedere ‘Kolel’ werd door de Joden uit laatstbedoelde landen financieel gesteund (‘chaloeka’ = verdeling i.c. van de beschikbaar gestelde gelden). Die van ‘Holland’ en ‘Duitsland’ (de ‘Kolel HoD’), werd sedert het begin der 19e eeuw in stand gehouden door ‘Peki-dim en Amarcalim’, de oude Palestina-organisatie van de Lehrens en de Rubensen aan wie Jacob Israël de Haan zich verwant wist door zijn moeder. Betje Rubens herleefde in haar zoon, die geheel op zijn wijze in het Handelsblad van 14 september 1920 schreef:
271