schiedde dat vaak op een wijze, die voor hem onaanvaardbaar was. De in deze taalsector optredende problemen hadden sedert 1906 zijn nimmer aflatende aandacht opgeëist. Wat had hij Brouwer en Mannoury benijd om de abstracte sfeer der mathematische symbolen. Klanken, woorden, ze konden nu eenmaal niet worden gehanteerd zonder een onvermijdelijke gevoelswaarde, naar twee zijden (schrijver/spreker; lezer/toehoorder), resten overlatende, die zich aan controle onttrokken. Voor Brouwer had hij eens deze regels neergeschreven:
Hoe zal het woord ooit zonder rest doordringen Het continu, waar ’t Leven zich voltrekt 1 Dat kan alleen des Dichters Woord, wiens zingen Zijn intuïties in het luistrend hart wekt.
Hevig irriteerde het hem als F. Bernstein met zijn taaltheoretische beschouwingen de draak stak. Dat bracht hem in razernij tot over de grenzen van zijn symbolische levensgang.
Bernstein schreef (7 april 1920):
Significa: Realiteiten scheppen beteekent: De realiteit door een schijnver-tooning camoufleeren. Met de realiteit rekening houden beteekent: De realiteit gemakshalve uit den weg gaan, de realiteit verwaarloozen.
Dat is zoo dwaas niet, als het lijkt. Want er is een zoogenaamde realiteit, het uiterlijke beeld, dat een toevallige constellatie van omstandigheden vertoont; en er is de werkelijke, de diepere, de reëele realiteit; de realiteit van de gedachte en het gevoel; de realiteit van den ontembaren wensch en het onverzettelijke streven. De oppervlakkige realiteit: Een in zich verdeelde Jisjoew, verzwakt door zeven jaren van oorlog en crisis, verdeeld door kleinzielig gekibbel; een Joodsch volk, waarvan de eertijds krachtige massa door slachtingen en vervolgingen, door honger, ziekte en armoede is geteisterd; waarvan de niet geteisterde minderheid bijkans verloren lijkt in den strijd om het bestaan, in de jacht naar rijkdom en onrustige, uiterlijke genietingen, ontworteld en gedachteloos.
Wie niets zien, dan de oppervlakkige realiteit, moeten in deze dagen onzen toestand wel heel precair achten.
Maar er is een diepere realiteit. Dat de massa van ons volk den weg naar de toekomst heeft teruggevonden en met een taaie, onverzwakte geestkracht, die alle ellende trotseert, deze toekomst tegemoet trekt; dat in de geheele wereld is opgestaan al wat sterk en zelfbewust is in ons volk, om de handen der leiders te steunen, die het volk naar de vrijheid voeren; dat van de be-
265