gelaten. Aan die Rechtsschool werd de Nederlandse jurist reeds spoedig verbonden. Van Eeden hield hij ook van deze promotie op de hoogte. Al in januari 1920 schrijft hij:
Mijn beste vriend, nu is het hier ook winter. Wel geen ijs en sneeuw. Maar dit jaar geweldig veel regen en wind. Daartusschen ineens prachtig-mooie dagen. Maar je kunt daar niet op rekenen. En geen plannen maken. Het gaat mij nogal goed. Ik begin al wat te gewennen. Ik geef eenen juridischen cursus in het Hebreeuwsch. En spreek het nogal vlot. Ook Engelsch heb ik veel beter geleerd.
In een iets later stadium zou hij zich zelfs professor laten noemen. Het bleef een trauma. Nog van Jeruzalem uit bemoeit hij zich met een eventuele candidatuur voor het Amsterdamse hoogleraarschap van Albert Verwey:
Zeer zeker interesseert het professoraat mij. De splitsing zooals curatoren die voorstellen zou u zeker kans geven op het professoraat der nieuwe letteren enz. Ik begrijp, dat een aantal leeraren zich daartegen verzet. Het bezwaar, dat u geen oud- en middel Nederlandsch zoudt kennen, vervalt. De beweging voor Prinsen is een Nijmeegsche beweging. Ik vrees, dat dit gecompliceerde geval heel raar eindigen zal. Van Ginneken staat bekend als anti-Joodsch en anti-socialistisch. Of hem dat in den Amsterdamschen Raad geen stemmetje kosten zal?
Terwijl ik dit schrijf in mijn zomer, is de zaak in uw winter reeds beslist.
Professor Jacob Israël de Haan dus toch nog! Zijn technisch meesterschap op al deze ‘symbolische’ punten kon hem in de realiteit echter niet verlossen van dat ene centrale vraagstuk, dat zijn bij uitstek dichterlijk leven beheerste: zijn verleden. Hij scheen opnieuw begonnen, deze ‘repetitor’ van weleer. Maar een schone lei was voor de oud-onderwijzer niet weggelegd. Alles wat hij in de hem resterende jaren nog zou doen (en dat was niet gering) werd omgeven door een waas, dat steeds meer moest bedekken. Steeds meer, omdat zijn geheugen groeide met zijn wroeging. ‘Ik ben bang voor mijn verleden, want dat kan ik niet vergeten. Ik ben bang voor de toekomst, want die kan ik niet vermijden. Dus leef ik in het heden als een koorddanser op eene draad. Daar komt een doodval van.’
Want hoe onwerkelijk zich dit leven ook voltrekken mocht, de dichter en de journalist moesten zich realiseren, dat zijn vele woorden werden vertaald, ‘overgezet’ naar een denk- en gevoelswereld van anderen. Al ge-
264